De meeste banen zijn niet bevredigend, verwacht niet te veel van je werk (Gerectificeerd)

We zijn gaan geloven dat werk ons gelukkig moet maken, we zijn wat we doen. Maar werk is vaak helemaal niet leuk. Bovendien gaan economische wetten altijd boven het geluk van de werknemer. Marx had meer gelijk dan we wel eens denken.

Het opmerkelijkste kenmerk van de hedendaagse arbeid heeft niets te maken met computers, automatisering of mondialisering. Het staat veeleer in verband met de wijdverbreide overtuiging in de westerse wereld dat we in ons werk gelukkig moeten zijn.

De arbeid heeft in alle maatschappijen uit het verleden in het middelpunt gestaan; maar de onze – en vooral de Amerikaanse – is de eerste die de schijn wekt dat werk iets anders dan een straf of een plaag zou kunnen zijn. Onze maatschappij is de eerste die doet of een normaal mens ook zou willen werken als hij er financieel niet toe gedwongen was. Ook zijn wij in die zin uniek dat we ons werk laten bepalen wie we zijn, zodat de vraag bij uitstek die we nieuwe kennissen stellen niet is waar ze vandaan komen of wie hun ouders zijn, maar wat ze doen – alsof alleen daaruit doeltreffend blijkt wat het eigen timbre van een mensenleven is.

Dit is niet altijd zo geweest. De Grieks-Romeinse beschaving zag arbeid min of meer als een corvee dat het beste aan slaven kon worden overgelaten. Voor Plato en Aristoteles was alleen levensvervulling weggelegd voor mensen die over privé-inkomen beschikten; zij konden aan de dagelijkse verplichtingen ontsnappen en zich vrijelijk wijden aan de overdenking van ethische en morele vragen. De ondernemer en de koopman hadden dan misschien een mooie villa en een gevulde provisiekast, maar ze speelden geen rol in het beeld dat in de oudheid van het goede leven bestond.

Het vroege christendom had een zelfde donkere kijk op de arbeid en voegde daar de nog somberder gedachte aan toe dat de mens gedoemd was tot sloven om de zonde van Adam goed te maken. Hoe onterend de arbeidsomstandigheden ook waren, ze mochten niet verbeterd worden. Werk was niet toevallig een bezoeking – het was een van de pijlers waarop onherroepelijk het aardse lijden was gegrondvest. Augustinus hield slaven voor hun meesters te gehoorzamen en hun pijn te aanvaarden als onderdeel van de ,,armzaligheid van de menselijke toestand', zoals hij die in de Stad Gods noemde.

De eerste tekenen van de moderne, opgewekter houding tegenover de arbeid zijn te bespeuren in de Italiaanse stadstaten ten tijde van de Renaissance, met name in de levensbeschrijvingen van de kunstenaars uit die tijd. Bij mensen als Michelangelo en Leonardo da Vinci treffen we vertrouwd klinkende ideeën aan over de ideale betekenis die werk voor ons zou kunnen hebben: een weg naar waarachtigheid en glorie. Artistiek werk was geen last of straf, maar stelde ons in staat boven onze normale beperkingen uit te stijgen. Op een pagina of een doek konden we onze talenten uitdrukken zoals we dat in ons dagelijks leven nooit zouden kunnen. Uiteraard ging dit nieuwe droombeeld alleen op voor een creatieve elite (niemand haalde het toen nog in zijn hoofd tegen een bediende te zeggen dat hij in zijn werk zijn ware ik kon ontwikkelen: dat was een stelling die moest wachten tot de moderne management-theorie), maar het bleek wel het model te zijn voor alle latere definities van geluk dat uit arbeid werd geput.

Pas aan het eind van de 18de eeuw breidde dit model zich uit tot buiten het terrein van de kunst. In de geschriften van burgerlijke denkers als Benjamin Franklin, Diderot en Rousseau zien we dat de arbeid niet alleen wordt gecategoriseerd als middel om geld te verdienen, maar ook als manier om vollediger onszelf te worden. Het is opmerkelijk dat deze verzoening tussen noodzaak en geluk een getrouwe afspiegeling was van de herwaardering die in die tijd het huwelijk ten deel viel: zoals het huwelijk werd herbezien als een instelling die naast praktische voordelen ook seksuele en emotionele vervulling kon schenken (een handige combinatie die door aristocraten voor onmogelijk was gehouden – zij beschouwden een maîtresse én een vrouw als noodzakelijk), zo werd arbeid niet alleen meer geacht het geld op te leveren dat nodig was voor het bestaan, maar ook de stimulans en zelfexpressie te verschaffen die eens als het alleenrecht van de vrijgestelden waren gezien.

Tegelijkertijd putten mensen gaandeweg een nieuw soort trots uit hun arbeid, grotendeels doordat de verdeling van het werk een schijn van rechtvaardigheid kreeg. In zijn autobiografie noemde Thomas Jefferson zijn grootste trots dat hij de Verenigde Staten tot een meritocratie had gemaakt, waarin ,,een nieuwe aristocratie van verdienste en talent' de plaats had ingenomen van de oude aristocratie met hun oneerlijke voorrechten en hun veelal botte stompzinnigheid. Deze meritocratie verleende de arbeid een nieuwe, welhaast morele kwaliteit. Nu op grond van onze feitelijke intelligentie en talenten eervolle en goedbetaalde posities bereikbaar leken, zei het werk dat we deden misschien wel iets zinnigs over ons.

In de loop van de 19de eeuw herzagen tal van christelijke denkers dan ook hun mening over geld, vooral in de Verenigde Staten. Protestantse groeperingen in Amerika stelden zich op het standpunt dat God verlangde dat zijn volgelingen zowel wereldlijk als geestelijk een geslaagd leven leidden. Welstand in deze wereld was het bewijs dat we een goede plaats in de volgende verdienden – een houding die werd weerspiegeld in de bestseller uit 1836 van dominee Thomas P. Hunt: The Book of Wealth: In Which It Is Proved From the Bible That It Is the Duty of Every Man to Become Rich. John D. Rockefeller schroomde niet te zeggen dat de Heer hem rijk had gemaakt, terwijl William Lawrence, de Anglicaanse bisschop van Massachusetts, in 1892 betoogde: ,,Net als de psalmist zien wij een enkele keer voorspoed onder goddelozen, maar alleen een enkele keer', waaraan hij nog toevoegde: ,,God is met de rijken.'

Naarmate de meritocratie volwassen werd, kreeg minderwaardig werk niet alleen iets beklagenswaardigs, maar wekte het – evenals werk dat wel opwindend was – ook een verdiende indruk. Geen wonder dat mensen elkaar gingen vragen wat ze deden – en heel goed naar het antwoord luisterden.

Misschien lijkt dit alles een vooruitgang, maar eigenlijk hebben de hedendaagse opvattingen over arbeid ons ongewild problemen opgeleverd. Aan vrijwel alle soorten arbeid worden tegenwoordig eisen gesteld waaraan de werkelijkheid uitdrukkelijk niet kan voldoen. Natuurlijk zijn er best bevredigende banen, maar het merendeel is dat niet en kan dat ook nooit zijn. Daarom zou het verstandig zijn als we luisterden naar pessimistische stemmen uit de premoderne tijd, al was het maar om niet meer zo te tobben als we minder gelukkig in ons werk zijn dan ons wordt voorgehouden dat we zouden kúnnen zijn.

William James heeft eens haarfijn het verband tussen geluk en verwachting gelegd. Hij stelde dat onze zelfvoldoening niet vereist dat we in alles wat we ondernemen ook zullen slagen. Niet al onze mislukkingen zijn een vernedering; vernederd worden we alleen als we eerst onze trots en eigenwaarde op het spel hebben gezet en dan niet ons doel bereiken. Onze doelstelling bepaalt wat we als triomf uitleggen en wat moet gelden als een mislukking: ,,Zonder poging is er geen mislukking mogelijk; zonder mislukking geen vernedering.'

Ons zelfrespect in deze wereld wordt dus bepaald door de verhouding tussen onze werkelijkheid en onze vermeende mogelijkheden. Zelfrespect = Succes gedeeld door Pretenties.

Als het tegenwoordig zo moeilijk is om geluk in ons werk te vinden, komt dat misschien doordat onze pretenties zozeer de werkelijkheid te boven gaan. We verwachten dat elke baan het soort voldoening schenkt dat Sigmund Freud of Franklin Roosevelt ten deel viel.

Misschien zouden we beter Marx kunnen lezen. Natuurlijk was Marx een povere historicus en waren al zijn recepten voor een betere wereld verkeerd, maar hij was vrij trefzeker in zijn diagnose waarom arbeid dikwijls zo ellendig is.

In dat opzicht bouwde hij voort op Immanuel Kant, die in zijn Grundlegung der Metaphysik der Sitten schreef dat ethisch gedrag tegenover andere mensen vereiste dat we hen respecteerden ,,om zichzelf', in plaats van hen als ,,middel' voor zelfverrijking of eigen glorie te gebruiken. Marx maakte de bourgeoisie en haar nieuwe wetenschap, de economie, dan ook het befaamde verwijt dat ze zich op grote schaal aan ,,immoraliteit' bezondigden: ,,De politieke economie kent de arbeider alleen als werkdier – als een beest dat is teruggebracht tot de meest strikte lichamelijke behoeften.' De lonen die aan werknemers werden betaald, waren volgens Marx ,,niet meer dan de olie waarmee raderen draaiende worden gehouden', en hij voegde daaraan toe dat ,,het ware doel van de arbeid niet meer de mens is, maar het geld'.

Misschien heeft Marx ten onrechte het pre-industriële verleden geïdealiseerd en ook overdreven de bourgeoisie gehekeld, maar hij heeft wel bekwaam de onontkoombare strijd tussen werkgever en werknemer geschetst. Elke commerciële organisatie zal proberen tegen de laagst mogelijke prijs grondstoffen, arbeid en machines te verwerven en die te combineren tot een product dat tegen de hoogst mogelijke prijs kan worden verkocht.

Er is helaas één verschil tussen de arbeid en de andere elementen dat de conventionele economie niet kan weergeven of beklemtonen, maar dat er onvermijdelijk toch is: `de arbeid' voelt pijn en genot. Als lopende banden onbetaalbaar worden, kunnen ze worden stopgezet en zullen ze niet treuren om de onrechtvaardigheid van hun lot. Een bedrijf kan van steenkool op aardgas overgaan zonder dat de afgedankte energiebron zich van een rots werpt.

Maar de arbeid heeft de gewoonte emotioneel te reageren op pogingen haar prijs te verlagen of haar aanwezigheid terug te dringen. Ze snikt op de wc, ze wordt dronken om haar angst te sussen dat ze ondermaats presteert en ze verkiest soms de dood boven ontslag.

Deze emotionele reacties vestigen onze aandacht op twee mogelijk strijdige verplichtingen die de arbeid in zich verenigt: een economische verplichting die gebiedt dat een bedrijf in de eerste plaats winst moet maken, en een menselijke verplichting die werknemers doet hunkeren naar financiële veiligheid, respect, een vaste aanstelling en op een goede dag misschien zelfs wel plezier.

Hoewel deze twee verplichtingen soms langdurig zonder wrijving lijken te kunnen samengaan, leven alle loontrekkers in het besef dat de economische altijd zal voorgaan als er ooit een serieuze keus tussen de twee moet worden gemaakt. Deze druk is evenzeer aanwezig in het leven van zelfstandigen – of ze nu de wasserij op de hoek drijven of makelaar in onroerend goed zijn – want in hun geval speelt de economie als geheel (lokaal, nationaal en mondiaal) de rol van werkgever.

De strijd tussen arbeid en kapitaal gaat misschien niet meer zo met blote vuisten als in de tijd van Marx, althans niet in de ontwikkelde wereld. Maar ondanks de vooruitgang in de arbeidsomstandigheden en de bescherming van werknemers blijven arbeiders in feite werktuigen in een proces waarin hun eigen geluk of economisch welzijn onvermijdelijk een bijkomstigheid is. Hoe vriendschappelijk werkgever en werknemer ook met elkaar mogen omgaan, hoe welwillend arbeiders ook mogen zijn en hoeveel jaar ze zich ook aan een taak mogen hebben gewijd, zij moeten leven met de wetenschap en de bijbehorende vrees dat ze hun positie niet zeker zijn – dat die afhankelijk blijft van hun eigen prestaties en het economisch welzijn van hun organisatie; dat ze dus een middel tot winst en nooit een doel op zichzelf zijn.

Hoe jammer dit ook allemaal is, echt betreurenswaardig wordt het pas als we ons blind houden voor de werkelijkheid en de verwachtingen van onze arbeid buitensporig hoog opschroeven. Een vast geloof in de onontkoombare ellende van het leven was eeuwenlang een van de belangrijkste kwaliteiten van de mens, een dam tegen de verbittering, een wal tegen de gefnuikte hoop. Dat is nu wreed ondermijnd door de verwachtingen die het hedendaagse wereldbeeld wekt.

Als mensen nu al weer dromen van een nieuwe vakantie, kunnen we misschien hun somberheid verlichten door erop te wijzen dat werk vaak dragelijker is als we niet altijd verwachten dat het naast geld ook geluk oplevert.

De schrijver Alain de Botton is vaak omschreven als de filosoof van het dagelijks leven. Hij schreef onder andere `Hoe Proust je leven kan veranderen' en `De troost van de filosofie'.

Rectificatie

Copyright De Botton

Bij het artikel De meeste banen zijn niet bevredigend, verwacht niet te veel van je werk van Alain de Botton (2 oktober, pagina 17) werd het copyright niet vermeld. Dit berust bij de New York Times.