De gouden pechvogel

Overmorgen is het dierendag. Pieter Steinz wijdt deel 34 van zijn serie over thema's in de wereldliteratuur aan dieren in het algemeen en De gouden ezel van Apuleius in het bijzonder.

Wat zou de literatuur zijn zonder dieren? Al lang voordat Homeros belangrijke bijrollen gaf aan zeemonsters, zwijnen en ossen (en niet te vergeten aan een trouwe hond die zijn baasje na twintig jaar nog herkent) – al lang voor de Odyssee dus, was het dier de ster in mythen en volksverhalen. En al lang voordat de Griekse dichter Aisopos de dierenfabel ontwikkelde, werden domme en ijdele dieren beschreven om menselijke hebbelijkheden te kritiseren. Nog steeds zit in de meeste fictie over dieren een wijze les verstopt, zoals twee jaar geleden weer bleek toen Yann Martel de Booker Prize won met een roman over een schipbreukeling die – via een omweg – veel over het leven leert van een Bengaalse tijger.

Nergens zijn dieren zo populair als in strips (Donald Duck, Heer Bommel en Tom Poes, Maus) en in kinderboeken. De onderstaande tijdbalk had gemakkelijk gevuld kunnen worden met klassiekers voor onder de twaalf, van De sprookjes van moeder de gans (met onder meer de Gelaarsde Kat) en Pinokkio tot Het verhaal van Pieter Konijn en Niels Holgerssons wonderbare reis. En hoewel het in deze vier boeken toevallig goed afloopt met de dierlijke hoofdpersonen, is dat bepaald niet gebruikelijk. Vooral in het volwassen-boek-voor-kinderen wacht de dieren een afschuwelijk lot, zoals het slachthuis (het werkpaard Boxer in De boerderij der dieren) of de dood door uitputting (Joli-Coeur in Alleen op de wereld). Een aantal van de `zakdoekboeken' die ik vorige week bij `boeken om te huilen' had ondergebracht, had ik deze keer weer kunnen opnemen.

De gouden ezel, ook wel bekend als Metamorphoses, hoort daar niet bij. Er overkomt de hoofdpersoon van Apuleius' Latijnse roman veel ergs – want hij wordt veranderd in een ezel en de Romeinse samenleving staat niet bepaald bekend om haar diervriendelijkheid – maar uiteindelijk werkt hij zich op wonderbaarlijke wijze uit de nesten. En erg moralistisch, zoals de meeste schrijvers van dierenverhalen, is Apuleius van Madaurus (ca. 125-180) ook niet. Je zou kunnen zeggen dat de flierefluitende held Lucius wordt gestraft voor zijn nieuwsgierigheid; hád-ie maar niet zo dom moeten zijn om zich te laten besmeren met een heksenzalfje. Maar daar gaat het in De gouden ezel niet om. In de traditie van de Griekse avonturenroman wil Apuleius vooral sensationele verhalen vertellen – en aan wie kun je die beter ophangen dan aan een eeuwige pechvogel?

En dus maakt Lucius kennis met heksen, rovers, nouveaux riches en oversekste matrones. Hij wordt afgebeuld, tot bloedens toe geslagen en ingezet bij een bestialistische kermisattractie. Onderweg (en loerend op de remedie voor zijn betovering) hoort hij de meest fantastische verhalen – dankzij zijn grote oren, maar ook omdat niemand in de nabijheid van een ezel een blad voor de mond neemt. Veel van die vertellingen zijn beroemd geworden: het sprookje van Amor en Psyche bijvoorbeeld, dat onder anderen Couperus inspireerde; het Don Quichot-achtige gevecht van Lucius met een aantal betoverde leren zakken; het tegenwoordig uit de Decamerone bekende verhaal van de betrapte vrouw die haar minnaar verstopt in een groot vat. Lucius, de ik-figuur, vertelt het allemaal met smaak, en bovendien in een stijl die door de grote variatie modern aandoet.

Dat laatste is ook de verdienste van Vincent Hunink, die de Metamorphoses een jaar geleden opnieuw in het Nederlands vertaalde. In een nawoord legt hij uit dat Apuleius ook in zijn proza het thema van het boek, de gedaantewisselingen, wilde laten uitkomen. Met als gevolg dat we in De gouden ezel plechtig taalgebruik afgewisseld zien met spreek- en reclametaal, filosofische uitweidingen met flauwe naamgrapjes, en tragedie met komedie. Apuleius speelt een spel met de literatuur vóór hem, introduceert een volkomen onbetrouwbare verteller, en kan ook door zijn intertekstuele grapjes en de vermenging van hoge en lage cultuur gezien worden als de eerste der postmodernisten. `Lector intende: laetaberis' luidt geheel terecht het motto van de roman – `Lezer, let op: u zult er plezier aan beleven.'

Reacties:

steinz@nrc.nl

Apuleius: `De gouden ezel' (vert. Vincent

Hunink, uitg. Athenaeum – Polak &

Van Gennep).

Volgende week in

`Lees mee met NRC':

het huwelijk in de fictie. Besproken boek:

`A Handful of Dust'

van Evelyn Waugh.