Benelux blijft hangen in babbelstadium

Minister Bot probeert met zijn Belgische collega De Gucht om de Benelux nieuw leven in te blazen. Critici denken dat het bij mooie woorden blijft.

Een Belgisch-Nederlandse voetbalcompetitie. Dat stelde minister Bot (Buitenlandse Zaken) deze week voor om de relatie tussen Nederland en België te verbeteren. ,,Stelt u zich eens een competitie voor met wedstrijden als Club Brugge tegen Ajax, Feyenoord tegen Anderlecht'', aldus de minister. ,,Het zou onze bevolking in de verleiding kunnen brengen wat meer belangstelling voor elkaar te hebben''.

Die grensoverschrijdende voetbalcompetitie zal er niet snel komen – De KNVB reageerde direct afwijzend op het voorstel. Maar Bot gebruikte de voetbalcompetitie dan ook vooral als metafoor voor versterkte samenwerking in de Benelux: de politieke organisatie die België, Nederland en Luxemburg in 1958 oprichtten.

In de huidige Europese Unie van 25 landen, zeggen Bot en zijn Belgische collega van Buitenlandse Zaken De Gucht, kan zo'n regionale alliantie een succesvol machtsblok vormen tegen de grote broers. Vandaar hun pleidooi voor een relance Béneluxoise, die moet leiden tot intensivering van het overleg tussen de hoofdsteden, tussen diplomatieke posten in derde landen en tot meer uitwisseling van ambtenaren.

Het Tweede-Kamerlid Frans Timmermans (PvdA) heeft geen hoge verwachtingen van zulke ambities. Volgens hem heeft de Benelux op hoofdpunten van het Europees beleid geen enkele betekenis: het Lissabon-proces om de economie te versterken, het gezamenlijk buitenlands beleid en het beleid op het gebied op van justitie en binnenlandse zaken. ,,Materieel is de Benelux een lege huls'', stelt hij.

Een probleem in de Benelux is dat er een politiek-culturele breuklijn loopt tussen Nederland en België, tussen het katholieke zuiden en het protestantse noorden. Tussen een meer Atlantisch gericht Nederland en een continentaal georiënteerd België. Die scheidslijn trad vorig jaar tijdens de Irak-crisis dramatisch aan het licht. België en Luxemburg waren tegen de inval in Irak, Nederland daarentegen billijkte het optreden van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De relatie tussen de voorgangers van Bot en De Gucht, de ministers De Hoop Scheffer en Michel, daalde hierdoor tot het nulpunt.

Staatssecretaris Nicolaï (Europese Zaken) ziet de Benelux vooral als een `proeftuin voor Europa'. ,,Als Nederland en België het ergens over eens zijn, ligt een Europees compromis binnen handbereik.'' België kijkt immers vanouds in de eerste plaats wat Parijs ervan vindt, terwijl Nederland meer let op de reacties uit Londen en Berlijn. ,,Als katalysator voor de Europese Unie is de Benelux wel nuttig'', erkent ook Timmermans. Dat bleek volgens hem nog eens bij de recente onderhandelingen over een Europese grondwet.

Bot en De Gucht zijn niet blind voor de tekortkomingen van de Benelux. Maar ze achten het desondanks wenselijk de samenwerking te versterken. De liberaal De Gucht, enkele maanden geleden aangetreden als minister, ziet de Benelux als forum ,,van waaruit België en Nederland samen met Luxemburg nog kunnen wegen in Europa''. Op een Belgisch-Nederlandse conferentie deze week gehouden in Den Haag, pleitte hij er voor het overleg van de drie landen voorafgaande aan Europese ministerraden structureler voor te bereiden. Nu beperkt de onderlinge afstemming zich tot even samen vooraf bijeenkomen.

Natuurlijk, zegt De Gucht, kan de Benelux niet dezelfde rol spelen als ze deed bij de oprichting van de Europese Gemeenschap, toen ze de helft van de zes aangesloten landen vormde. Maar ,,zelfs de nieuwe lidstaten hebben een zeker respect voor de Benelux als de historische voorhoede van de Europese samenwerking'' en ook in Parijs in Berlijn wordt volgens hem met aandacht geluisterd naar wat de Benelux vindt.

Tien jaar geleden werd de Benelux ook al opnieuw gelanceerd. Toen werd gevierd dat in 1944 de drie regeringen in ballingschap in Londen een douane-unie sloten. De vraag was of de Benelux na vijftig jaar niet was ingehaald door de EU en maar beter kon worden opgeheven. Conclusie: de Benelux heeft nog een politieke rol te spelen. De Belgische premier Dehaene bepleitte ook toen al het overleg voorafgaand aan Europese raden structureler te maken dan ,,de losse babbel bij het ontbijt''.

Maar nog steeds zijn de contacten in Benelux-verband vrij los. Volgens G. van Keer, hoofd Benelux van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken, worden de Benelux-bijeenkomsten op ministerieel niveau meestal afgezegd. En van het voornemen om de bijeenkomsten voorafgaand aan de Europese raden beter voor te bereiden, lijkt weinig terecht gekomen. Dat laatste kan volgens Van Keer nu echt beter worden, omdat de ministers van Buitenlandse Zaken zich zo duidelijk voor versterkte samenwerking hebben uitgesproken. Een Nederlandse betrokkene vreest dat de praktijk blijft dat de Belgen de intentie voor samenwerking hartstochtelijk uitspreken en dat de uitvoering vervolgens bij Nederland blijft.

De vraag is of België, Nederland en Luxemburg wel vergaand samen kúnnen werken. Niet alleen denken de drie zeer verschillend over buitenlands beleid, over de vraag wat de Europese Unie moet doen en wat beter kan worden overgelaten aan de lidstaten zelf, en over financieel-economisch beleid, ook is er binnen België uitgesproken verzet tegen de Benelux. In Wallonië wordt met argwaan gekeken naar de door Nederlandstaligen gedomineerde organisatie en in Vlaanderen gaan stemmen op dat beter een Vlaams Nederlands verdrag kan worden gesloten.

Misschien komt de grootste steun nog van de kleinste van de drie landen. De Luxemburgse ambassadeur Graff, ook present op de Belgisch-Nederlandse Conferentie, noemt het voor zijn land ,,heel belangrijk in een grotere unie de Benelux verder te ontwikkelen.'' En gevraagd waarom de ministerraden toch zo vaak worden afgezegd, is zijn antwoord: ,,Tien jaar geleden waren zulke ontmoetingen er nog helemaal niet, nu wel.''