Autoriteiten zeggen wat wij vinden

Ik moest laatst weer aan buikspreken denken, toen ik een boek van Paul Coelho las. Er zijn veel manieren van buikspreken, ze komen er allemaal op neer dat je iets of iemand anders laat zeggen wat jij vindt. Een pop is een bekende vorm, maar dat valt nog erg op, zo'n houten ding op schoot. De bijbel doet het ook goed. Veel te goed, heb ik eens een dominee horen klagen. Van die man heb ik de uitdrukking voor het eerst gehoord, en ik heb er altijd nog veel profijt van, het fenomeen buikspreken zie ik sindsdien regelmatig opduiken. De bijbel heeft drie belangrijke voordelen: hij heeft voor veel mensen gezag, er staat veel in waarmee je nog alle kanten op kunt, en de auteurs kunnen niet meer zeggen wat ze er wel en niet mee bedoelden. Zo kun je de bijbel alles over het gebruik van geweld laten bepleiten, van mishandelen en uitroeien tot onvoorwaardelijke geweldloosheid. Een kwestie van selectief citeren.

De natuur is ook een goede buikspreekpop. Denk aan de standpunten over seksuele moraal, of seks alleen de voortplanting mag dienen of ook andere bedoelingen mag hebben – elk van beide opvattingen kun je verdedigen met een selectief beroep op wat je in de natuur ziet.

Sommige feministen vinden het zorggedrag van sommige mannelijke dieren een norm waaraan de mens (m) zich zou moeten spiegelen, sommige antifeministen wijzen erop dat verzorging de natuurlijke taak van de vrouw is. Er zijn natuurbeschermers die vinden dat mensen te weinig volgens de wetten van de natuur leven: wij zijn met te velen, verzinnen steeds meer nieuwe dingen om de natuur naar ons pijpen te laten dansen, en dat zal zich wreken. Zo zit de natuur op schoot van mensen die hun gelijk willen bewijzen door het andere soorten of ecosystemen te laten zeggen.

Ook mensen treft dit lot wel eens. Nog steeds wordt gestreden om het buikspreekrecht op wijlen Pim Fortuyn. Ook Fortuyn had voor veel mensen gezag, ook hij heeft veel gezegd waarmee je nog alle kanten op kunt, en ook hij kan niet meer zeggen wat hij er wel en niet mee bedoelde.

Dit soort buikspreken is anders dan citeren, of het ontlenen van metaforen aan een ander domein om je ideeën te illustreren. Het is het bewijzen van de juistheid van je opvattingen door ze uit de mond van een gezaghebbende ander te laten komen.

Wat heeft dit nu met Paul Coelho te maken? In zijn boek De alchemist (1988) dat ik onlangs pas las, beschrijft hij een Spaanse jongen die op zoek gaat naar een schat, en daarvoor naar Egypte moet. Hij beleeft van alles en ontmoet vooral allerlei mensen die hem wijze lessen leren.

Het boek deed me al snel denken aan De Celestijnse Belofte van James Redfield. Geen compliment, ik zeg het maar meteen. In beide boeken willen de auteurs een visie kwijt, tot zover niets mis, al spreekt het New-Age-achtige erin me niet aan. Maar om de juistheid van die visie te bewijzen, laten ze hun personages dingen beleven met een hoog zie-je-wel-gehalte. Uit De alchemist leren we bijvoorbeeld dat ,,als je werkelijk wilt dat iets gebeurt, het hele universum samenspant om je wens te realiseren''. Je moet daar natuurlijk wel voor openstaan en dat lukt de jongen.

In tegenstelling tot De Celestijnse Belofte is het een goed geschreven boek, met interessante gedachten, maar beide horen tot een categorie boeken waarin het verhaal het gelijk van de schrijver dient. Na de laatste regel verwacht je de triomfantelijke letters q.e.d., waarmee we op school onze wiskundebewijzen afsloten: quod erat demonstrandum, wat bewezen moest worden. Personages en gebeurtenissen zijn gereduceerd tot buikspreekpoppen.

Je kunt tegenwerpen dat ieder verhaal, toneelstuk, film de visie van de schrijver vormgeeft. Sommige schrijvers vertellen die dwars door het verhaal heen. Maar zo'n verhaal kan er als een experiment uitzien, dat zich hier en daar zelf geschreven heeft, als iets dat gegroeid is, personages en situaties lijken ook de schrijver soms te verrassen. In een buikspreekverhaal voel je de hinderlijke dwang tot de juiste interpretatie.

Tot slot een zeer kort verhaal.

,,Er was eens een man die nooit een externe autoriteit gebruikte om zijn opvattingen kracht bij te zetten. Hij kreeg geen poot aan de grond.''

Hmm, het was niet mijn bedoeling dat deze geschiedenis zo afliep. Maar het maakt het verhaal wel leuker, en ik heb niemand als buikspreekpop gebruikt.

Quod erat illustrandum.

Maarten Pieters is natuurkundige en werkt als onderwijsontwikkelaar bij het AMSTEL Instituut, expertisecentrum voor bèta-onderwijs, Universiteit van Amsterdam