Aan een bedelaar kun je maar beter geen geld geven

Zo nu en dan eten kopen voor een zwerver heeft meer zin, vindt Maarten Huygen, die als commentator door de samenleving reist.

Zwervers hebben recht op een uitkering van minimaal 550 euro en veel instanties doen hun best om te zorgen voor een dak boven hun hoofd. Desnoods in een opvangcentrum, maar het liefst in een gewoon appartement of in een kamer. Dus hoeft niemand te bedelen. Daar zijn ook daklozen het mee eens, als ik het hun vraag in het Utrechtse Catharijnehuis, een dagopvangzaaltje met keuken en tafeltjes. ,,Alles is hier goed geregeld. Je kunt gaan werken en als dat niet lukt, krijg je een uitkering'', zegt de 30-jarige Mohammed. ,,In Nederland hoef je niet dakloos te zijn.''

Er zijn hier geen junks, wel alcoholisten en nuchtere zwervers. Verderop zie ik een zestiger door zijn mobieltje telefoneren. Wegens schulden uit zijn huis gezet, blijkt later. Dat doet zich de laatste tijd vaker voor. Deze man bedelt zelf niet, want hij krijgt zijn uitkering en hoopt op een huis, al draaien de molens traag. Hij geeft soms zelf geld aan bedelaars.

Drie hongerige Marokkaanse mannen dopen stukken brood in dampende borden met vlees en olijven die ze in de openbare keuken hebben bereid. Ze zien er beter verzorgd uit dan de meeste autochtone daklozen. Een man vertelt hoe hij de tijd doorbrengt met internetspelletjes, 12,5 euro per tien uur. In Rotterdam is voor onbehuisden zelfs een gratis computercentrum. Je zou een daklozen-chatbox kunnen opzetten, een virtuele opvang.

,,Maar waarom bent u dan dakloos, als u dat volgens u in Nederland niet hoeft te zijn?'', vraag ik aan Mohammed.

,,Ja, ik heb mijn huis verloren, weet je. Moeilijkheden met de huisbaas'', zegt hij.

,,Maar ligt dat dan aan u?'', vraag ik.

,,Als je geen huis hebt, kun je geen baan krijgen, en als je geen baan hebt, verlies je je huis'', verzucht hij.

Een ander valt hem bij: ,,Als je in de gevangenis hebt gezeten, krijg je niet meteen een uitkering en dan kom je ook op straat terecht.'' Toch bedelen zij niet.

Mohammed erkent dat het leven zwaar is op straat, als je daar terecht bent gekomen. Alleen al gewoon de dag door te komen kost veel moeite als je geen vast adres hebt. De hele dag verhuizen en zeulen met je spullen. Van nachtopvang naar dagopvang, naar een snackbar, waar de euro de koffieprijzen heeft verdubbeld en dan naar hopelijk weer een andere nachtopvang.

Soms blijft er niet meer dan een bank in het park over, want wegens het tekort aan opvangplaatsen mag je maar vijf nachten achter elkaar in hetzelfde centrum overnachten. Als er nog een parkbank is, want om zwervers te weren wordt in grote steden het meubilair waar je op kunt liggen verwijderd. Alleen bij vorst is er meer opvangcapaciteit. De mensen willen minder met daklozen te maken hebben. Het zijn er meer geworden. En volgens de meeste aanwezigen in de dagopvang met wie ik spreek, zijn de voorzieningen in Utrecht beter dan een jaar of tien geleden.

Vroeger dacht ik dat dakloosheid met armoede te maken had. Maar toen Nederland armer was en minder sociale voorzieningen kende, waren er minder daklozen. Die zag je alleen in reportages over het rijke, kapitalistische Amerika. Amerikaanse daklozen werden in Nederland gezien als symbool van de sociale onrechtvaardigheid daar.

Nu ook hier meer daklozen opduiken, zingen de gidslanders een toontje lager. Het is geen gevolg van armoede, maar van rijkdom en individuele vrijheid. Mensen worden alleen geholpen als ze dat zelf willen. Welnu, ze willen vaak niet en dat komt de overheid financieel goed uit. Bij familie hebben ze ook niets te zoeken, áls die hen al wil opvangen. De tijdgeest dicteert eigen verantwoordelijkheid.

Mensen met stoornissen verlaten de inrichting en gaan de straat op, waar ze hun geestelijke pijn bestrijden met alcohol en drugs. Veel inrichtingen zijn domweg gesloten. Maar moet je die verslavingen dan subsidiëren?

Daklozen Mohammed en Aat (43) vinden van niet. Aat, die in een koepeltentje woont, betaalt zijn drank uit eigen zak. Hij maakt twee halve dagen in de week schoon voor de toegestane 22 euro extra per week boven zijn uitkering. Mensen die straatkrantjes verkopen verdienen meer bij, zegt hij. Sommige bedelaars zijn zelfs niet dakloos en verdienen goed. Een aalmoes moet toch minstens een euro bedragen en bij een daklozencentrum koop je een tweedehands trui voor vijftig cent. ,,Hier in Europa hebben bedelaars geen geld nodig, maar in Marokko wel'', zegt Mohammed. ,,Daar zijn bedelaars echt arm. En illegalen in Nederland hebben ook geld nodig.''

Van Amerikaanse daklozenorganisaties ken ik het advies dat je nooit geld aan een dakloze moet geven, wel eten of koffie. Mini-vrijwilligerswerk, dat in het niet valt bij de vele uren die vaste vrijwilligers en stafleden erin steken. Toch is een beetje medeverantwoordelijkheid beter dan een paar euro.

Niet iedereen in de Catharijnezaal waar de nuchtere zwervers en drankverslaafden zaten, was het met die Amerikaanse visie eens. Sommigen vonden het advies belerend.

De directeur van de zaal, René Mol, tevens oprichter van de eerste straatkrant, vindt dat het ervan afhangt hoe je er tegenover staat. Een jonge man die dankzij sociaal werk een kamer had gekregen, zei dat een dakloze zijn geneugten verdiende. ,,Als je een joint rookt, vergeet je even je problemen. En als je geen geld geeft, gaan ze toch maar stelen.''

Maar als het hooguit een kwestie van persoonlijke smaak en emotionele bevrediging is, geef ik geen geld aan bedelaars, zeker niet op een perron of in de trein waar ze niet thuis horen. Als ik er tijd voor overheb – en dat is niet vaak, moet ik bekennen – voer ik het Amerikaanse advies wel eens uit. Vaak werd eten geweigerd. Tant pis, denk ik. Dan maar belerend.

Moralisme past tegenover mensen die hun leven niet in de hand hebben, niet van harde onverschilligheid maar van welwillend medeleven. Een enkele keer at iemand een broodje. Soms was vanillevla het gewenste gerecht, het ideale junkenvoer.

Een kort gesprek, een knik, een hand en dat is het dan. Hulpverlening is niet alleen een taak voor professionals.