Wiskundig speurwerk

Speurders en wiskundigen reiken elkaar sinds Sherlock Holmes intellectueel de hand. Beiden werken op basis van vermoedens toe naar een sluitende theorie waaruit elk element van het vraagstuk zich deductief laat afleiden. Dat meent althans Arthur Seldom, wiskundeprofessor in Oxford en een van de hoofdpersonen in de thriller M–8: Onzichtbare misdaden waarmee de jonge Argentijnse mathematicus Guillermo Martínez in de Spaanstalige wereld de bestsellerlijsten haalde.

Een seriemoordenaar teistert het Engelse universiteitsstadje waar Martínez ooit zelf wiskunde studeerde. Zijn romaneske alter ego die als ikfiguur het verhaal vertelt, is er vanaf het begin getuige van. Al snel raakt hij betrokken bij het speurwerk en de daarbij behorende mathematische speculaties, want de moordenaar kondigt zijn daad steevast aan met waarschuwingen die tezamen een logische reeks lijken te vormen. Daarmee wordt de jacht een wiskundige puzzel en krijgt Mártinez de kans de lezer bij te praten in diens kennis van de twintigste-eeuwse logica en mathematica.

Helemaal gelukkig pakt die combinatie niet uit, hoe ingenieus Martínez zijn plot ook in elkaar gestoken heeft. De romanschrijver in hem blijft ver achter bij de wiskundige, die rond de theoretische problemen van zijn vak een illustratief maar nogal vlak verhaal heeft verzonnen. Zijn karakters blijven schematisch en voorspelbaar en ook het plot wil maar niet spannend worden.

Boeiend is daarentegen wel de wijze waarop Martínez de logica en de wiskunde in dit boek als het ware tegen hun eigen pretentie van zekerheid in laat denken. Arthur Seldom is een mathematicus die in de waarheid van wiskundige stellingen eerder een esthetisch dan een zuiver mathematisch fenomeen ziet. Dat wij wiskundige theorema's aanvaarden is te danken aan hun eenvoud en elegantie, veel meer dan aan hun onweerlegbaarheid, zo houdt hij de jonge Argentijn voor. Absolute bewijsbaarheid bestaat niet. Voor logisch-mathematische puzzels is altijd een oneindige hoeveelheid oplossingen mogelijk. Met zo'n postmodern uitgangspunt – waarvoor Gödel, Heisenberg en Wittgenstein het voorspelbare materiaal leveren, wordt ook het speurwerk naar de logische moord-reeks in de roman een onmogelijke opgave. Tenslotte verdampt de samenhang tussen de verschillende moorden tot een combinatie van toeval en achteraf gecreëerde schijn, waarmee Martínez zijn theoretische stelling alsnog onderstreept

Voor de roman pakt dat minder goed uit. Hoe de vork werkelijk in de steel gezeten heeft, weten we aan het eind alleen dankzij een op de valreep uit de lucht vallende bekentenis van één van de hoofdfiguren. Naar goede Agatha Christie-gewoonte is dat tegelijk een van de minst waarschijnlijke verdachten, die dan ook beter zijn mond had kunnen houden.

Waarom hij, tegen alle logica in, tóch spreekt, had de romancier Martínez moeten uitleggen. Maar die verklaring komt er niet, wél de oplossing van het moordraadsel zelf, waartoe Martínez zich kennelijk toch verplicht voelde. En daarin blijkt hij, alle postmoderniteit ten spijt, nog altijd een heel klassieke mathematicus en dito detective-schrijver. Ook bij hem moet een afgeronde intrige elegant en simpel uiteindelijk alles aan het licht brengen. Op de valreep moet de geloofwaardigheid van de bekennende dader het afleggen tegen de sluitende onthulling, die het zegel van een onbetwistbare en eenduidige waarheid blijft.

Guillermo Martínez: M–8: Onzichtbare misdaden. Vertaald uit het Spaans door Harriët Peteri. Vassallucci, 221 blz. €14,95