Red mij, Mr Blair

Het nieuwe terrorisme heeft ons gegijzeld en we hebben het zelf mogelijk gemaakt.

Doodsangst als onze dagelijkse soap: de smeekbede vorige week van de in Irak gegijzelde Brit aan zijn premier was de overtreffende trap in een reeks van verschrikkingen. Er gaat geen dag meer voorbij of we zien mannen geblinddoekt hun onthoofding afwachten – beelden die twee jaar geleden ondenkbaar waren en die nu als offensief dienen in een nieuw soort oorlog. ,,Niet alleen Bigley is gegijzeld, ook de premier'', zei een Britse parlementariër. ,,Red mij, Mr Blair'' kopten de Britse kranten meedogenloos. Minister van Buitenlandse Zaken Straw klonk onherroepelijk onoprecht in zijn medeleven met de familie, zijn standvastigheid zag er door het oog van de camera vooral hardvochtig uit.

,,Dit is ook een mediaoorlog'', verklaarden Italiaanse regeringswoordvoerders na eerdere valse berichten over de executies van de twee Simona's.

Een mediaoorlog. Van alle misrekeningen en blunders die de invasie van Irak hebben gekenmerkt, is dat misschien wel de grootste: dat overmacht allang geen garantie voor de overwinning meer is. Het was een les die geleerd had kunnen worden op 11 september 2001 – toen een handvol terroristen gewapend met stanleymessen de enige overgebleven supermacht in een diepe crisis stortte. De moderne terrorist is geen verdwaasde die alleen uit is op massale vernietiging, hij is ook gevaarlijk mediageil. De moordenaars van de buitenlandse gijzelaars zijn niet alleen barbaars, ze weten ook verdomd goed hoe ze voor de camera barbaren moeten spelen. Het zijn meesters van de moderne horror. Minimale inspanning met maximaal effect, dat moet een van de eerste geloofsartikelen van Al-Qaeda zijn.

Te midden van alle gedragen clichés over de noodzaak het islamitische terrorisme uit alle macht te bestrijden, wordt misschien wel de grootste dreiging steeds weer over het hoofd gezien: dat wie de massamedia bespeelt, de wereld aan zijn voeten heeft. Terrorisme is vernietigen, maar het is vooral ook angst zaaien, en daar heb je tegenwoordig niet veel voor nodig – één digitale camera en een website zijn genoeg. Dat de coalitie in Irak die les niet heeft geleerd en met open ogen in de val van het mediabewuste terrorisme is gelopen, bewijst opnieuw hoe ondoordacht de hele operatie is geweest.

Dat een enkeling nu gemakkelijk wereldwijde ellende kan veroorzaken, we zijn er nog steeds niet aan gewend. Nog altijd ben je verbaasd als de politie na onderzoek de verspreider van een computervirus dat overal hele systemen heeft platgelegd, weet te arresteren – bijna altijd een onopvallende eenling, vaak genoeg een puisterige scholier of academische nerd achter een klein scherm in een nietszeggende voorstad.

Wat massaal is, is niet alleen machtig, maar ook verrassend kwetsbaar.

Zodra die buitenstaander een camera in handen heeft, is hij al gauw erg machtig. In de Verenigde Staten duiken nu voortdurend kleine Davids op die de oppermachtige Goliaths van de massacultuur heel eenvoudig tegen de grond werken. Michael Moore is het bekendste voorbeeld. Wat je er ook van vindt, het effect dat Moore's documentaires op de Amerikaanse samenleving hebben, is revolutionair. Dat blijkt ook uit de navolging die hij krijgt: een ijdele kloon van hem nam het almachtige McDonald's op de korrel in de documentaire Super Size Me, ook een wereldwijde bioscoophit, en overal zag je de fastfood-gigant zich in bochten wringen om de schade te beperken.

Het is niet waar dat deze nieuwe guerrillastrijders van de documentaire hun publiek nieuwe inzichten verschaffen. Zelfs de meeste Amerikanen weten heus dat te veel vet slecht voor je is – zoals we allemaal weten dat roken ongezond is. Dat de regering-Bush een ramp voor Amerika en de rest van de wereld is, is ook al geen nieuws: bijna de helft van de Amerikanen wist dat al en de boekhandels daar liggen vol met boeken die hetzelfde aantonen. Deze outsiders brengen geen nieuws, maar ze weten het gevoel van onbehagen tot onderdeel van een heroïsch gevecht te maken, een gevecht van klein tegen groot. Het gaat niet om feiten, maar om stemmingen.

De meesten van ons zijn gevoelig voor de retoriek van die strijd. Het is het meest geliefde melodrama van onze tijd: de buitenstaander die het eigenhandig opneemt tegen de veel te machtigen, de mensen die alles voor ons bepalen. Het is even komisch als veelzeggend dat de Nederlandse journalisten die zich honend hebben uitgelaten over de retorische manipulaties van Michael Moore, juist degenen waren die zich gedachteloos op sleeptouw lieten nemen door de beste stemmingsmaker van ons land, Pim Fortuyn. Want Moore, prinses Diana, Pim Fortuyn, de context van hun succes mag steeds heel verschillend zijn, het gevoel dat ze losmaakten komt op hetzelfde neer. Dat Michael Moore zich als uitdager van de machtigste man ter wereld presenteert, zegt al heel veel: op het omslag van opiniebladen verschijnen ze naast elkaar, alsof je tussen hen moet kiezen. In de wereld van de media moet je dat ook.

En die wereld van de media is steeds meer de wereld. Dat de gegijzelde Brit in Irak, van wie we nu ineens de naam weten, en wiens familie we verstikt van angst op televisie zien, zich rechtstreeks tot de premier van zijn land richt en een beroep doet op zijn lievelingsemotie, compassie, heeft afstandelijk beschouwd iets ongelijksoortigs. De man had niet naar Irak moeten gaan, hij had juist een beroep moeten doen op het mededogen van zijn aanstaande moordenaars. De dood van één man kan de wereldpolitiek niet veranderen.

Maar zo werkt het niet meer. Er is geen afstand. Het beeld is heftig, de emotie te direct – en de regering-Blair staat met haar mond vol tanden. Het nieuwe terrorisme heeft ons gegijzeld. We hebben het zelf mogelijk gemaakt.