Querulant, provocateur, landverrader of kampioen van het vrije woord

`Jij hoeft mij niet te zeggen wat beschaafd is. Beschaafd ben ik van geboorte. En geboorte is niet te koop, zoals je weet. Ik kom met die acht miljoen nog niet in de buurt van wat ik had kunnen verdienen als ik niet gepest en tegengewerkt was.'

Zo reageerde de gisteren op 79-jarige leeftijd in Amsterdam overleden Willem Oltmans eind 2000 in een interview met de Volkskrant op de hem eerder dat jaar door de staat ten slotte toegekende schadevergoeding van acht miljoen gulden netto (3,6 miljoen euro). Over die schadevergoeding, betaald na zijn bijna een halve eeuw durende heftige open oorlog met het ministerie van Buitenlandse Zaken en andere vijandige vertegenwoordigers van het Nederlandse establishment, zei hij in datzelfde jaar met veel voldoening tegen Het Parool: `Ik heb ze genaaid!'

Je hoorde het hem als het ware zeggen, met die nasale kakstem die hem als kind uit betere Gooise kringen, in combinatie met andere opmerkelijke eigenschappen, een eigenaardige authenticiteit gaf. En je zag hem zitten – wat hemzelf en zijn wisselde medestanders betreft halverwege Multatuli, Domela Nieuwenhuis en Woodward en Bernstein enerzijds en oud-minister Luns, zijn doodsvijand, en diens vaderlandse `trawanten' anderzijds.

Querulant, zelfbestelde dwarsligger, `relnicht', landverrader, provocateur, kampioen van het vrije woord, journalistieke grensverlegger – het zijn maar enkele van de vele woedend of met respect gegeven typeringen die Oltmans in de laatste halve eeuw van zijn leven opliep. In veteraan-minister Luns, de man die hem sinds de jaren vijftig als geen ander had dwarsgezeten en die oud, verguisd en eenzaam stierf, overwon Oltmans vier jaar geleden uiteindelijk ook enigszins het establishment waaruit hij zelf voortkwam.

Want, hoe vaak hij ook een solist wilde wezen, hij had in zijn gevecht met dat establishment toch zoiets als een thuiswedstrijd gespeeld. Immers: bij alle afkeer en minachting voor de mores en opvattingen van de Hollandse bovenklasse verzuimde hij toch zelden duidelijk te maken dat hij in feite one of them was. Premier Wim Kok, die regeerde toen Oltmans na decennia strijd zijn schadevergoeding kreeg, stond bij hem niet alleen daarom in een goed blaadje. Nee, Oltmans waardeerde Kok mede omdat hij zich `als arbeiderskind' zo mooi had `omhooggewerkt'.

Oltmans, die leed aan kanker en die zijn vertrek uit het leven, in de kring van vrienden, zelf zoveel mogelijk had geregisseerd, was in 1925 in Huizen geboren, als zoon van een eigenaar van een kininefabriek. Hij studeerde aan Nijenrode en in de VS, een land waar hij met onderbrekingen zo'n 35 jaar woonde en waarvan hij ondanks de huidige president, `de nazi Bush', zeer zei te houden. Een deel van zijn jeugd zou hij, niet altijd even gelukkig, op een kostschool doorbrengen. Daar begon hij al aan het bijhouden van dagboeken, wat hij zijn leven lang zou blijven doen. Deze dikke dagboeken, egodocumenten, tijdsbeelden in eigen perspectief, het zijn er nu circa zeventig, zijn ten dele al eens gepubliceerd. Het waren winkeldochters, wat Oltmans niet heeft belet uit zijn vermogen een stichting te financieren die de komende vijftien jaar voor een complete uitgave moet gaan zorgen.

In de jaren vroege vijftig begon de jonge dagboekenschrijver bij het Algemeen Handelsblad. Hij had intussen met zijn opvattingen en uitspraken ook buiten het journalistieke metier zoveel aandacht getrokken dat, zoals vrienden en collega's hem waarschuwden, de toenmalige BVD belangstelling voor hem kreeg.

Dat, argwaan en tegenwerking van de autoriteiten en hun apparaten, zou blijvend zijn. Zeker ook nadat Oltmans al spoedig had besloten om verder als een journalistieke free agent door het leven te gaan en de wereld als zijn werkterrein te kiezen. En de beroemdheden van deze wereld, en grote thema's als de wereldpolitiek, de dekolonisatie en – wat later – mondiaal milieubeleid als privé-speerpunten.

Als Oltmans midden jaren vijftig naar Rome reist om er Soekarno te interviewen, de architect van de dan nog prille Indonesische onafhankelijkheid die in Nederland in brede kring wordt gehaat, beleeft hij meteen zijn eerste grote aanvaring met Buitenlandse Zaken. Na een interventie van dat ministerie gaat dat interview niet door.

Wat later, wanneer duidelijk is dat Oltmans allang vindt dat Nieuw Guinea uiteindelijk aan Indonesië moet toevallen, zal het ministerie van Luns, die daar vierkant tegen is en die zich steeds op internationale (ook Amerikaanse) steun beroept, officieus aan alle ambassades laten weten dat Oltmans geen vertrouwen of medewerking verdient. Hij zal er nog lang van merken, bijvoorbeeld in Indonesië, waar hij geen accreditering krijgt bij bezoeken die kroonprinses Beatrix en – in 1995 – koningin Beatrix daar brengt. Niettemin weet Oltmans geregeld met zijn internationale projecten de aandacht te trekken. Hij is een van de eerste journalisten die, vroege jaren zeventig, in de sombere milieurapportage aan de Club van Rome een soort levensproject zien. Hij zal er bijvoorbeeld voor naar de Sovjet-Unie reizen en uit Siberië rapporteren. In het jarenlange heftige kruisrakettendebat is hij, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, vele gerenommeerde vaderlandse vredespelgrims vooruit met zijn reizen naar Moskou. Daardoor weet hij, net als die latere pelgrims onder zo'n fraaie bontmuts, onder meer zijn goede vriend en Brezjnev-adviseur Arbatov ook in Nederland eventjes wereldberoemd te maken. Mag hij daar dan misschien onbedoeld een paar jaar als een van Lenins `nuttige idioten' gediend hebben, hij blijft zijn internationale beroemdheden als kralen aan zijn levensketting rijgen.

Het is een lange ketting geworden, van Soekarno tot de Kennedy's en van Pieter Botha tot Desi Bouterse. Soms werden aanvankelijke vrienden na verloop van tijd dan toch weer `oplichters', `schurken', `criminelen' of zelfs `nazi's'. Want Oltmans wilde in zijn leven wel eens van opvatting of persoonlijke waardering veranderen en ging ronde woorden dan niet uit de weg. En: in slechtigheid heeft niemand Luns ooit kunnen overtreffen, daaraan hield hij vast.