Mijn lichaam is van iedereen

MANTOVA/AMSTERDAM/BOEDAPEST. De journaliste van La Repubblica, Susanna genaamd, had het communisme ingeruild voor een milde vorm van zionisme, maar haar ware hartstocht gold de wijn. Haar ouders woonden in Florence, ze leefden nog, maar ik moest niet vragen hoe.

De vader van Susanna kwam uit Polen, hij emigreerde in de jaren dertig naar Palestina, hielp Italië bevrijden als lid van de joodse brigade en bleef hangen aan een Italiaanse. Bij de Poolse ambassade vond hij werk als cultureel attaché. Tot de zuiveringen van de jaren vijftig kwamen en hij de Poolse cultuur niet langer kon vertegenwoordigen in Italië. Twintig jaar had Susanna niet met haar vader gesproken, maar ik moest niet vragen waarom. Dat deed ik ook niet.

Hoewel ik geloof dat je een zekere afstand moet bewaren tot journalisten, stemde ik in met Susanna's voorstel, na afloop van het vraaggesprek dat ze mij had afgenomen, om wat te gaan eten. Ze wilde me voorstellen aan een vriendin van haar.

Zo zaten wij in restaurant Ochina Bianca, en Susanna praatte en dronk. Naast haar zat haar vriendin, Chiara 1, naast mij zat Chiara 2, een meisje dat de publiciteit verzorgde voor mijn Italiaanse uitgeverij. Jarenlang had ze een vriend gehad op het eiland Elba.

Tegen de verwachting in stemde mij het festival van Mantova tevreden, ik leek bijna gelukkig. De details klopten. Ze hoeven niets te betekenen, details, ze moeten alleen een wereld oproepen, al is het er een die er nooit is geweest.

Susanna praatte en dronk en toen ze was uitgepraat nam Chiara 1 het woord. Ze zei: ,,Toen ik twintig was werd ik verliefd op een filmregisseur die veertig jaar ouder was dan ik. Ik ontmoette hem op de set in Florence, ik figureerde in zijn film. Maar ik was zo verliefd dat ik hem volgde naar Rome, waar ze het volgende gedeelte zouden opnemen. Daar hing ik rond op de set, tot hij me na twee weken aansprak en vroeg: `Wat doe jij hier? Jij figureerde toch in Florence.' Drieëntwintig jaar zijn we samen gebleven. Ik heb een dochter van hem, zij is nu zeventien, maar ik ben hem nooit trouw geweest, want ik ben immoreel. Toch hadden we een uitstekende relatie, alleen de laatste jaren ging het niet meer. Toen ik hem daarop aansprak, zei hij: `Laten we nu maar bij elkaar blijven, we zijn te oud om te scheiden.' Dat was voor mij de druppel. `Nee', zei ik, `jij bent te oud. Ik niet, ik ben niet te oud.' Toen heb ik mijn spullen en mijn kind gepakt en ben weggegaan. Hij is nu negentig, maar nog altijd zeer vitaal. Onlangs heeft hij een documentaire over Arafat gemaakt. Waarom vertel ik dit eigenlijk allemaal aan jou?''

Ik staarde in mijn glas grappa, maar ik zei niets. Ik orden de details, dat is het, af en toe isoleer ik een detail. Zodat je het eindelijk goed kunt zien.

,,Weet je, Arnon'', zei Chiara 1, ,,dat iedere vrouw een speciaal setje heeft voor de eerste nacht. Ze zullen het niet toegeven, maar het is zo. Een speciale onderbroek en een speciale beha. De onderbroek van de eerste nacht is altijd een zwarte onderbroek.''

En na die woorden maakte de eigenaar van Ochina Bianca duidelijk dat wij naar huis moesten gaan.

De dag erop nam ik een taxi naar het vliegveld van Venetië en vandaar vloog ik naar Amsterdam, waar ik drie dagen lang vrijwel onafgebroken met journalisten praatte, maar zo gelukkig als in Mantova werd ik niet meer.

In een boekhandel in Amsterdam waar ik, hoffelijk als altijd, boeken signeerde, dook aan het eind van de rij een mevrouw op, niet oud, wel lichtelijk verfomfaaid. Terwijl ik een onleesbare handtekening neerkrabbelde, vroeg ze: ,,Mag ik je aanraken?''

Ik stak mijn linkerhand uit. ,,Raak maar aan'', zei ik. Mijn lichaam is van iedereen, net brood dat je aan de vogels geeft. Je versnippert het, gooit het op de grond en ze eten het op, hongerig als ze zijn. Wat van mij is, zijn de details.

Toen de rij was verdwenen, zag ik de vrouw die het lichaam dat van iedereen is wilde aanraken nog zitten in het café van de boekhandel. Ik herinnerde mij een dagdroom die ik die ochtend had gehad in een taxi op weg naar Hilversum.

Ik zit in een boekhandel. Voor mij een tafel, met daarop een plant. Alleen een tafel vindt de boekhandelaar per definitie te kaal. Na drie kwartier staat er een vrouw voor me. Ze heeft een kind bij zich met een ijsje.

Als lezers een kind meenemen, wend ik mij altijd tot het kind. Meestal met de vraag: ,,Hoe heet je?'' Soms deel ik snoepjes uit.

De vrouw zegt: ,,Mag ik je dood maken?'' Na dat gezegd te hebben hakt ze met een zwaard dat in Saoedi-Arabië gebruikt wordt voor openbare executies, mijn hoofd eraf.

Terwijl de boekhandelaar het alarmnummer draait, ziet hij nog kans tegen een klant die aan het afrekenen is te zeggen: nu wordt die handtekening echt veel waard.

Na een half uur ging de vrouw die mij wilde aanraken eindelijk weg. De fles wodka die ik van de boekhandel kreeg, gaf ik verder aan een viertal jonge, volgens mijn uitgever veelbelovende, schrijvers. Zo maak je je populair. Eigen lichaam en wodka, alles wordt weggegeven.

Op Amsterdam volgde Boedapest, waar ik aan de universiteit wat colleges zou geven. Om kennis te maken met de vakgroep Nederlands werd er een diner georganiseerd in restaurant Vista.

Isabelle was er, een Vlaamse, al helemaal een juffrouw. Tamasz, een Hongaar, die twee uur lang met een tandenstoker speelde en verder weinig zei. Christina, een Hongaarse met kort, rood haar, zij doceerde Nederlandse cultuur. Agnes, afkomstig van de Universiteit van Leiden, gespecialiseerd in gender linguistics.

Hoewel ik eigenlijk wel weet wat dat is, geef ik in dit soort gevallen de voorkeur aan structurele vragen. Daarom informeerde ik: wat zijn gender linguistics precies?

Het gaat om de bewuste en onbewuste boodschappen die in de taal verborgen zitten over de man-vrouw-relatie.

,,Om een voorbeeld te geven'', zei Agnes. ,,Waarom zeggen wij Adam en Eva en niet Eva en Adam?''

Het voordeel van het universitaire leven is dat slechts weinig mensen je willen aanraken.

Ik mocht Agnes wel. Ze maakte zich wel zorgen om de onbewuste boodschap die de taal uitzond over de oorlog tussen man en vrouw, maar haar liefde voor wijn en sterke drank had er niet onder geleden. Volgens mij was Agnes al lang niet meer uit op de kleine revolutie die tot Eva en Adam zou moeten leiden. Het ging haar om de zakelijke bestudering van een fenomeen. De negatieve gevolgen die de taal uitoefent op ons liefdesleven, en niet alleen daarop.

Als de taal anders in elkaar zat zouden eenzame en lichtelijk verfomfaaide vrouwen mij niet meer haastig willen aanraken in een volle boekhandel, maar mij mee naar huis slepen als een zak chips.

Vergeleken met Londen, waar ik in 1997 was geweest, leek mij de vakgroep Nederlands in Boedapest een wonder van levendigheid en positivisme.

Tijdens het tweede college ontstond er een discussie over pornografie.

,,Moeten wij de tekst beoordelen op de intentie van de schrijver, als we die al kunnen weten, of op de uitwerking ervan op de lezer?'' vroeg ik. ,,Een paar van jullie hebben Wolkers gelezen. Misschien dat zijn tekst enige opwinding bij jullie heeft veroorzaakt, maar mogen we uit die opwinding concluderen dat zijn werk pornografische passages bevat?''

Er zit veel in mij verborgen, ook een professor gender linguistics.

Na afloop kwam Gabriella, een studente, naar me toe. ,,Jij gaat soms te ver in wat je schrijft'', zei ze. ,,Dat vind je zelf toch ook?''

,,Nee'', zei ik, ,,anders zou ik het niet opschrijven.''

De waarheid van Agnes werd steeds meer de mijne. Tussen de mens en de liefde staat alleen de taal.