Meesterondernemer aan de Maas

Het eerste miljoen, dat is zwoegen.

Daniël George van Beuningen, kolen-monopolist in de Rotterdamse haven, koopt in 1903 na een Amerikaans bezoek `een flinke partij' aandelen van het staalbedrijf US Steelworks. Hij was toen 26. Van Beuningen vertrouwde volgens biograaf Harry van Wijnen op een terloopse opmerking van de baas van US Steelworks, die hem vertelde dat zijn bedrijf echt wel weer dividend ging betalen. Zo gebeurt het. Van Beuningen verdient een miljoen gulden.

Om enig perspectief op dat bedrag te geven: een beginnend huishouden op stand kon toen, mits zuinig, met 2.500 gulden per jaar rondkomen. Een arbeider verdiende eenzevende daarvan.Grootvorst aan de Maas, zo luidt de titel van de levendige biografie van `DG' van Beuningen (1977-1955) van Harry van Wijnen, oud-redacteur van Het Parool en NRC Handelsblad. Drie lijnen wisselen elkaar in vijftig korte hoofdstukken af: de puissant rijke zakenman, de drie keer getrouwde familieman en de weldoener, zowel voor de Rotterdamse elite (medefinancier van museum Boymans) als voor het volk (stadion Feyenoord). De toon van het boek wisselt: respectvol tegenover de zakenman, afkeurend als de verzamelaar zaken doet met de Duitse bezetter.

Van Beuningen moet een ondernemer pur sang zijn geweest. Steenkolenhandelaar, geldschieter van nieuwe ondernemingen, katalysator van innovaties, een van de grondleggers van de moderne havenstad Rotterdam en publiek weldoener. Maar hij was ook een monopolist die zijn grootste concurrent in het geniep opkocht, een opportunist die zaken deed met de Duitse bezetter, een politieke lobbyist, en een liefhebber van conspicuous consumption: een jacht, veel schilderijen.

Op zijn 27ste begint hij te verzamelen, op zijn 36ste koopt hij zijn eerste tekening van Rembrandt. Hij koopt, maar geeft ook gemakkelijk weg. Zelfs in de depressie van de jaren dertig verzamelt Van Beuningen driftig door. De Amsterdamse kunsthandelaar J. Goudstikker is zijn favoriet: hij koopt via hem tussen 1916 en 1940 voor zo'n drie miljoen gulden. Zijn andere cruciale adviseur is tevens een belangrijke begunstigde: directeur D. Hannema van museum Boijmans (nu: Boijmans Van Beuningen). Zijn huizen hangen vol, tot op het toilet. Na een veiling in Oostenrijk schenkt hij drie doeken aan Boijmans, die te groot waren om thuis te hangen. Een paar jaar eerder kreeg Boijmans al een zestal stukken van Rubens. In het buitenhuis in Vierhouten hangt Bruegels kleine `Toren van Babel' in de keuken, boven een spirituskomfoor.

Het familiefortuin van de Van Beuningens komt uit de Steenkolen Handelsvereeniging, het Nederlandse verkoopkantoor van het Rheinisch-Westfälische Kohlen Syndikat. De familie is een van de oprichters. DG wordt hoofddirecteur op zijn 36ste, zijn belangrijkste mede-aandeelhouder is F.H. Fentener van Vlissingen, hoofdirecteur op zijn 28ste. Ze onderhouden zakelijke en persoonlijke relaties; beiden zijn bijvoorbeeld getrouwd met een van de zusjes Schout Velthuys. DG werd in de wandeling aangeduid met zijn initialen om hem te onderscheiden van andere familieleden.

De firma werkt vanuit Utrecht. DG werd naar Rotterdam gestuurd om de lokale vestiging op te bouwen. Hier krijgt het boek van Van Wijnen ook meer vaart. In Rotterdam bouwt Van Beuningen aan een weergaloos zakennetwerk, voor SHV, maar ook voor zichzelf: van de scheepswerf en sleepdienst Piet Smit, tot en met een enorme binnenvaartvloot om al die kolen te vervoeren en de bouw van Stadion Feyenoord. Al had Van Beuningen, zo schrijft Van Wijnen, niets met voetbal, het was wel `zijn' stad, en het waren `zijn' arbeiders die kwamen kijken. Van Wijnens eerdere boek De Kuip (1989) over de stadionbouw legde de kiel voor de `grootvorst'.

Ook als verzamelaar blijkt Van Beuningen een doorknede handelaar. Uitgebreid beschrijft de biograaf de transacties rond de beroemde Koenigs-collectie van schilderijen en tekeningen aan de vooravond van de Duitse inval in Nederland. Van Beuningen verkoopt een deel daarvan, vooral Duitse tekeningen (Dürer), later door aan de Duitse inkoper voor het Führer Museum in Linz. Per saldo verdient hij vier ton op de vrijwillige handel, waarbij hij zijn schoonzoon als onderhandelaar laat optreden. De rest, zo'n 2.200 tekeningen en een aantal schilderijen (Rembrandt, Rubens, Jeroen Bosch) , schenkt hij aan Boijmans.

`Als Nederlands staatsburger in bezettingstijd was hij over de schreef gegaan', concludeert Van Wijnen. Maar van vervolging komt na de oorlog niets, wegens zijn onmisbaarheid voor de economie. De vraag of andere kunstverkopers wél vervolgd zijn, wordt overigens niet beantwoord. Als zakenman is Van Beuningen dan al uitgerangeerd: hij treedt 1 april 1941 af als directeur.

Nog vóór de opluchting van de goede afloop is vernedering zijn deel: kunstschilder Van Meegeren biecht op dat hij diverse schilderijen heeft gemaakt en verkocht alsof het originele Vermeers of De Hooghs waren. Tot de kopers behoorden Goering en Van Beuningen, die voor 2,4 miljoen gulden drie doeken had aangeschaft. DG en al zijn adviseurs hadden zich laten neppen.

Deze biografie trekt DG uit de schaduw van FH (Fentener van Vlissingen). In Wim Wennekes' boek De Aartsvaders, over grondleggers van het Nederlandse bedrijfsleven, speelt Van Beuningen een ondergeschikte rol in een hoofdstuk over FH. Ook in Paul de Hens Actieve en reactieve industriepolitiek in Nederland treedt industrie-financier Fentener van Vlissingen op de voorgrond.

Wat, wellicht onbedoeld, opvalt is de continuïteit in de overdadige consumptie en beloningen. Internet-ondernemers hebben superjachten, Van Beuningen had zijn `Vigilanter'. Als directeur Rotterdam kreeg Van Beuningen een bonus die niet aan de winst, maar aan de omzet was gekoppeld. Plus zijn reguliere tantième en dividend op SHV-aandelen. Bij de aankoop van zijn grootste concurrent, kreeg de directie (de broers Van der Vorm) een adviestoelage van 75.000 gulden: jaarlijks, en levenslang.

Als ondernemer was Van Beuningen vanzelfsprekend op Duitsland georiënteerd, Hollands economisch achterland. Maar zijn kapitaal ging ook naar het voorland van de moderne economie: Amerika. Wanneer hij in de meidagen van 1940 een topstuk van Jan van Eyk uit een Britse collectie bemachtigt, leent hij geld van de bank met een pakket vooral Amerikaanse aandelen als onderpand: US Steel, Bethlehem Steel, Kennecott Copper, Cities Service. Na de oorlog verandert het bedrijfsleven. De oriëntatie wordt Europees, en vervolgens nog Amerikaanser. De relaties met Duitsland zijn weinig vruchtbaar: de fusie van Hoogovens en Hoesch mislukt, de overname van Fokker door Dasa ook.

En Rotterdam? Van Wijnen schetst de oude havenbaronnen als conservatieve ondernemers. Dat milieu bood alle kansen aan nieuwkomer Van Beuningen, die maar voor een handvol Rotterdammers ontzag had, zoals directeur A. Kröller van Wm Müller, het meest vooraanstande scheepvaartbedrijf in die tijd.

Van Wijnen ontrafelt aspecten van de zakelijke handel en wandel van Van Beuningen, inclusief onbekende trammelant met `FH' en de relaties met Van der Vorm (later actief in de Holland-Amerika Lijn). Maar de oprichting van het beleggingsfonds Robeco (in het krachjaar 1929) laat hij zo goed als onbesproken. Aan het slot moet ook Van Wijnen zijn meerdere erkennen in de geslotenheid van het familiebedrijf dat nu kortweg SHV Holdings heet. De oorzaken voor de breuk in 1954 tussen de Van Beuningens en de Fenteners van Vlissingen blijven schimmig. Van Beuningen en de zijnen krijgen de beleggingen, Fentener van Vlissingen krijgt de macht bij SHV, tegenwoordig officieel gevestigd op de Antillen, maar kantoorhoudend in Utrecht. Op de plek waar ooit het ouderlijk huis van DG stond.

Harry van Wijnen: D.G. van Beuningen 1877-1955. Grootvorst aan de Maas. Balans, 528 blz. €35,-