Loonmatiging leidt tot een sjofele natie

Er is in Nederland iets mis met de verhouding tussen prijs en kwaliteit. Loonmatiging brengt de prijs omlaag, maar beter is het om de kwaliteit te verhogen, meent Eduard J. Bomhoff.

In Zürich verdient een manager gemiddeld 68 procent meer dan in Amsterdam, een ingenieur 123 procent, een leraar in het basisonderwijs 120 procent, een buschauffeur 127 procent, een bouwvakker 66 procent, een automonteur 68 procent, en een secretaresse 49 procent.

En toch spreekt in Zürich niemand over loonmatiging.

Voor Nederlandse politici daarentegen is loonmatiging nog steeds het belangrijkste recept tegen de recessie. Het is waar dat tussen 1999 en 2002 de kosten in Nederland ongeveer 7 procent meer zijn gestegen dan in de omringende landen. En als nu in die drie jaren de exporterende industrie enorm aan marktaandeel had verloren wegens hogere kosten, zou loonmatiging kunnen helpen om dat marktaandeel weer snel terug te winnen.

Maar dat is niet het geval. De groei van de export bleef bijna volledig gelijke tred houden met het Europese gemiddelde en er zijn dus bijna geen markten die tijdelijk zijn opgegeven en klaarliggen om weer veroverd te worden.

Als we in de analyse een stap zetten naar een iets algemener niveau, is er inderdaad een probleem in Nederland met de verhouding tussen prijs en kwaliteit, en dat is niet beperkt tot de exporterende industrie. Loonmatiging is één recept om prijs en kwaliteit bij elkaar te brengen, namelijk door af te koersen op een lagere prijs. We weten uit eerdere ervaringen in de jaren '80 dat er heel wat jaren nodig zijn om dat resultaat te bereiken, en dat in de tussentijd de werkloosheid nog extra toeneemt, omdat de loonmatiging druk zet op de bestedingen.

Een recept dat uitsluitend verlichting biedt aan de exporterende industrie heeft daarom ongunstige bijwerkingen voor alle andere sectoren. Overal elders lopen de uitgaven terug en dus is er ook minder werk. De sectoren die daardoor tijdelijk worden getroffen (detailhandel, horeca, toerisme, autobranche etc.) hebben veel meer werknemers dan de ene sector die voordeel heeft bij loonmatiging, namelijk de exporterende industrie.

Als Nederland door jarenlange loonmatiging kans ziet om de 7 procent extra kosten uit de periode 1999-2002 weer terug te winnen, verdient in Zürich een manager 80 procent meer dan in Amsterdam, een leraar 135 procent en een secretaresse 59 procent. Toch zou het kabinet dan tevereden zijn, want het doel van de loonmatiging zou zijn bereikt. Hoe kan dat?

Ik zie maar één mogelijk antwoord: omdat Nederland zich neerlegt bij sjofelheid en wanorde, en dus ook veel lagere kosten moet bieden dan Zwitserland, terwijl Zürich bij hogere kosten kennelijk ook een veel hogere kwaliteit weet aan te bieden dan Amsterdam. Kennelijk zijn de scholen, het openbaar vervoer, de politie en de woningmarkt er zo veel beter, dat het bedrijfsleven kan overleven ondanks hogere loonkosten.

De 7 procent schade die Nederland heeft opgelopen tussen 1999 en 2003 is alleen een probleem zolang Amsterdam wat betreft scholen, veiligheid, openbaar vervoer en wonen niet kan tippen aan Zürich – want als Amsterdam wél even comfortabel was, dan zouden de lonen kennelijk 49 tot 127 procent hoger kunnen zijn zonder schade voor de werkgelegenheid.

Hier is één illustratie, die misschien zal verbazen. Zürich is niet goedkoop, maar een internationale manager moet toch in Amsterdam 14 procent meer betalen voor een gemeubileerde huurwoning en 22 procent meer voor een leeg appartement. Zó verstoord is in Nederland de woningmarkt in de grote steden, dat sommigen veel te goedkoop wonen in een huis van de woningcorporatie, terwijl anderen geen woning kunnen vinden. Er is géén hoofdstad in Europa waar het prijsverschil zó groot is tussen de huurders bij de corporatie en de huurders die noodgedwongen moeten huren in de vrije sector. Van Oslo tot Lissabon is de woningmarkt vrijer dan in Amsterdam, en ook in Zürich waar huurders bij een corporatie en huurders in de vrije sector bijna dezelfde prijs betalen. De hevig verstoorde (en corrupte) woningmarkt in Amsterdam kost groei en werkgelegenheid, omdat buitenlandse bedrijven weten hoe lastig en kostbaar het is om woonruimte te vinden voor hun managers.

Een internationaal onderzoek naar de woningmarkt voor expatriates in zestig wereldsteden laat zien dat er maar drie steden nóg duurder zijn dan Amsterdam voor de huur van een mooi appartement in de vrije sector: New York, Londen en Hongkong.

In Parijs, Rome, Frankfort, Genève, Zürich, Chicago of Los Angeles kunnen internationale managers goedkoper een appartement huren dan in Amsterdam. Dat kost groei en werkgelegenheid in Nederland – en ergernis voor de forensen die in Amsterdam niet aan de bak komen op de woningmarkt.

De extreme vertekeningen op de woningmarkt in Amsterdam (en in Utrecht, Den Haag, Rotterdam en andere grote steden) heeft nog ernstiger gevolgen voor de economie dan de reistijd en het ongemak voor al die werknemers die niet dicht bij hun werk kunnen wonen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat steden moeten concurreren door een aantrekkelijk klimaat te bieden aan zowel artiesten en ontwerpers als aan managers. Een stad die daar niet in slaagt, verliest haar glans.

In Nederland is Rotterdam het duidelijkste voorbeeld van een stad die dat lot heeft getroffen. Hoeveel Unilever-managers wonen nog in Rotterdam? En hoeveel architecten van het bureau van Rem Koolhaas wonen in de stad waar ze werken? We kennen het antwoord: de managers zijn tevreden in Wassenaar en de architecten wonen in Dordrecht of Leiden. Resultaat: de binnenstad van Rotterdam schiet tekort als ontmoetingsplaats van creatieve mensen, terwijl dat precies de functie is die een stad moet vervullen om succesvol te concurreren met kleinere woongemeenten.

Dit is slechts een schets in een notendop van een makke op de woningmarkt, maar net zo goed is er ruimte voor hogere kwaliteit bij het onderwijs, de veiligheid en het openbaar vervoer. Er is dus kennelijk een tweede recept om de ongunstige verschillen tussen Amsterdam en Zürich weg te werken: niet nóg lagere lonen in Nederland, maar een minder verstoorde woningmarkt, en een efficiëntere politie, minder dwaze schooltijden in het basisonderwijs en schoner openbaar vervoer.

Waarom werken ministers daar dan niet aan, in plaats van eindeloos op te roepen tot loonmatiging? Nederland heeft niet alleen ministers van Financiën en van Economische Zaken die kunnen preken over loonmatiging, maar ook een minister van Onderwijs die de scholen kan verplichten om kinderen op te vangen tussen de middag en na schooltijd. Er is een minister van Volkshuisvesting die de woningcorporaties kan dwingen om in veel hoger tempo woningen te verkopen. En er is een minister van Binnenlandse Zaken die kan zorgen dat de politie niet meer zogenaamd verslag doet aan een vergadering van 25 burgemeesters, maar serieus verantwoording aflegt over de prestaties.

Dat zou allemaal bijdragen aan een efficiëntere economie. Het recept van een hogere kwaliteit van het leven heeft geen ongunstige bijwerkingen, behalve dan misschien voor de agenten die preciezer verantwoording moeten afleggen, voor de trambestuurders die minder vaak ziek kunnen zijn met behoud van 100 procent salaris of voor de directeuren van woningcorporaties die eindelijk afgerekend worden op resultaat.

Minister Zalm gebruikt het argument dat er geen tijd is om te wachten op een hogere kwaliteit in wonen, onderwijs, veiligheid etc., en dat de verhouding tussen prijs en kwaliteit van Standort Nederland snel moet verbeteren.

Maar was de verkiezing van 2002 niet een signaal dat veel mensen radicale verbeteringen wensten? Ik heb Pim Fortuyn niet gehoord over loonmatiging, maar wel over armoede in de bejaardenzorg, over criminaliteit in de grote steden en over slonzig openbaar vervoer.

Trouwens, het recept van loonmatiging heeft ook jaren nodig, wat blijkt uit het feit dat in 2002 en 2003 de loonstijging in Nederland nog steeds ongunstiger was dan in het buitenland, omdat werkgevers en vakbonden de pleidooien voor loonmatiging nog niet au serieux namen. In feite nam de concurrentiepositie nog eens met ongeveer 3 procent af in het nadeel van Nederland.

Die twee jaar zijn verspild aan de aanloop tot de loonmatiging van 2004 en 2005, maar hadden ook kunnen worden gebruikt om de kwaliteit van Nederland grondig te verbeteren. Een gemiste kans met als verklaring dat politici liever de schuld van de recessie neerleggen bij de vakbonden dan dat zij politiek kapitaal inzetten om lastige veranderingen te bewerkstelligen bij de woningcorporaties, de politie, het onderwijs of de gezondheidszorg.

Ik schrijf in Kuala Lumpur waar het symfonieorkest (met Nederlander Kees Bakels als dirigent!) al bijna even goed is als in Nederland, waar het vliegveld er duurder uitziet dan Schiphol met zijn linoleum en waar het private ziekenhuis een stuk efficiënter werkt dan het doorsnee ziekenhuis in Nederland. Maar de lonen in de industrie zijn een kwart van die in Nederland en een ingenieur verdient eenderde van het Nederlandse salaris.

Bedrijven kunnen dus niet alleen naar Zürich maar ook naar Maleisië, en dat is precies wat ze zullen doen wanneer de verhouding tussen prijs en kwaliteit in Nederland ze niet aanstaat. Daarom is er maar één recept met perspectief: de kwaliteit van Nederland zo snel mogelijk opkrikken naar het niveau van Zürich.

Eduard J. Bomhoff is hoogleraar economie aan Monash University Malaysia in Kuala Lumpur.