Levend oog aan de wand

In een pakhuis in Liverpool wordt de derde Liverpool Biënnale gehouden. Het doel is het promoten van nieuwe Britse kunst, maar tegelijkertijd verandert de hele stad erdoor.

De wind blaast afval langs de straten. Plastic bekers, papier, etensresten. Het is zaterdagmiddag en Park Lane, een vierbaansweg door Liverpool, is leeg op een enkele passerende auto na. Aan de ene kant van de weg liggen rijen Vinexhuisjes van nieuwe oranjerode baksteen, met hoogommuurde tuintjes. Zeker twee meter hoog zijn de tuinmuren, het afval komt daar niet overheen. Aan de overkant van de weg staan pakhuizen en havenloodsen, ook van baksteen. Alles, zelfs een grote negentiende-eeuwse kathedraal, is hier van baksteen.

Waar Park Lane overgaat in Jamaica Street moet ergens de Coach Shed zijn, een pakhuis dat is verbouwd tot tijdelijke expositieruimte. Daar is een tentoonstelling te zien van jonge Engelse kunstenaars die vorig jaar zijn afgestudeerd aan de kunstacademie. Het is een van de grote tentoonstellingen van de derde Liverpool Biënnale.

Tot zo'n vijftien jaar geleden was Liverpool een van de armste steden van Engeland. Hier en daar sluiten grote ijzeren hekken hele straten af. Nog steeds herinneren gapende plekken aan de bombardementen uit de Tweede Wereldoorlog.

Het contrast met het gebied rond de haven aan de Mersey River is groot. De pakhuizen zijn hier gerestaureerd. Monumentale, opgepoetste witstenen bouwwerken, met classicistische zuilen en rijk geornamenteerde gevels, herinneren eraan dat Liverpool rond 1800 het belangrijkste handelscentrum van het Britse koloniale rijk was, dé stad van de handel in koffie, katoen, suiker en slaven. Hiervandaan vertrokken ook de schepen naar New York, met duizenden Ieren die de hongersnood in hun land ontvluchtten.

Onlangs is dit deel van de stad op de wereldmonumentenlijst van Unesco geplaatst, als zeldzaam voorbeeld van de ontwikkeling van een havengebied in de achttiende, negentiende en het begin van de twintigste eeuw. De handel in de haven is in de loop van de twintigste eeuw uitgestorven. Maar Liverpool heeft sinds een jaar of tien een nieuwe handel ontdekt: cultuur en toerisme. Aan de kade bevinden zich een maritiem museum, een historisch museum en een dependance van de Tate Gallery. In de pakhuizen wemelt het van de trendy winkels en restaurants.

Insturen

Bloomberg New Contemporaries is de titel van de tentoonstelling in de Coach Shed. Studenten die in 2003 waren afgestudeerd aan Engelse kunstacademies konden werk insturen voor deze tentoonstelling. Vervolgens selecteerde een viertal beroemde Engelse kunstenaars, onder wie Dinos Chapman en Tacita Dean, tweeëndertig inzendingen voor de tentoonstelling. Hoofdsponsor Bloomberg is een internationaal multimedia- en informatiebedrijf. Een aantal deelnemers exposeert niet in de Coach Shed, maar op plekken verspreid door de stad.

Het niveau van de New Contemporaries is goed. David Blandy, een bleke pukkelige Engelsman, krijst op twee videofilmpjes zijn wanhoop over eenzaamheid eruit – What is soul? Why can't we share each others pain? De filmpjes zijn zeer precies vormgegeven. Het beeldvullend hoofd van Blandy kijkt de beschouwer onafgebroken aan, zodat zijn geschreeuw, hoe clichématig en lachwekkend de tekst ook is – I can't take it anymore! –, hard aankomt. Hier kan geen emotie-tv tegenop. Samson Kambalu produceerde van golfkarton en lucifers mooie kleine, eenvoudige collages die een beladen bijbelse thematiek hebben. Voor The Last Supper (for Mum) stak hij dertien lucifers in een perspectivische boog in het karton, de middelste heeft een glanzendnieuw one penny-stuk als stralenkrans.

Yvonne Jones maakte een gruwelijke maar fascinerende video van een oogoperatie. Het bloederige, opengesperde oog is wandvullend geprojecteerd. Met zilveren instrumenten wordt in de lens gepeuterd en gepeurd. Bij een korte pauze begint het oog te pulseren met het kloppen van het hart. Ja, het is een echt, een levend oog. Aan het einde van de film is de lens veranderd in een peilloos zwart gat. De pointe van het werk zit hem in de titel: The Eye of the Artist. Het is het kunstenaarsoog dat volhardend de operatie bekeek door het oog van de camera en het beeld indringend vastlegde.

Er zijn meer voorbeelden te noemen van veelbelovend werk. Even belangrijk als de afzonderlijke werken is het levendige klimaat op de tentoonstelling, met een gezond soort competitie, een gevoel van urgentie, van het belang van deze presentatie van jonge Engelse kunst.

Wat een simpel en doeltreffend idee om bekende kunstenaars een keuze uit eindexamens te laten doen, en een zorgvuldige tentoonstelling met catalogus te maken. Waarom hebben wij dat niet in Nederland?

Wat wij ook niet hebben in Nederland zijn gratis toegankelijke musea. In The Walker, een nationaal museum voor negentiende-eeuwse Engelse kunst en kunstnijverheid, is de John Moores te zien. Deze tweejaarlijkse schilderkunst-tentoonstelling was een initiatief van kunstliefhebber Sir John Moores in 1957. Dit is inmiddels de drieëntwintigste aflevering. Een jury van vijf leden (drie kunstenaars en twee museumconservatoren) selecteerde uit 1.901 inzendingen de beste zesenvijftig schilderijen. Hieruit is een prijswinnaar gekozen die 25.000 Engelse pond ontvangt, en er zijn vier tweede prijzen van 2.500 pond. Een publieksprijs van 1.000 pond wordt aan het einde van de Biënnale uitgereikt. De tentoonstelling is ingericht in een aantal zalen op de eerste verdieping van de Walker. Dit werkt goed, want de bezoeker wordt eerst door zalen geleid waar schilderijen van Dante Gabriel Rossetti, William Turner en andere Engelse beroemdheden in drie rijen boven elkaar hangen, als een negentiende-eeuwse Salon.

Op de keuze van de hoofdprijs, een werk van de 31-jarige Alexis Harding, is niets af te dingen. Met glanzendzwarte verf op een oranje achtergrond (op een plaat MDF, 192 x 183 cm) schilderde Harding een fijnmazig raster, als van een stuk textiel. De `stof' is kapotgescheurd, de oranje verf is over de flarden textiel heengesmeerd; het is alsof er beweging, spanning zit onder de verfhuid die de `lap stof' heeft doen scheuren en de verf in beweging heeft gezet. Het is een interessante mengeling van realisme en abstract expressionisme. Curieus is het superrealistische schilderijtje in tempera op papier (12 x 18 cm) van de 40-jarige Andrew Grassie. Het toont een hoek van een werkkamer met stoel, gitaar, computer, rommel op bureau, enzovoort. Het is een conservatieve reprise van een oeroude techniek en manier van kijken, maar, het moet gezegd, er zit mooi licht in.

Promoten

In de Walker is het druk. Veel mensen mensen vullen hun voorkeur voor de publieksprijs in op een formulier. Hier heerst, net als in de Coach Shed, een echte festivalsfeer. De Biënnale van Liverpool heeft duidelijk als doel het promoten van Engelse kunst, en daarin hebben de organisatoren groot gelijk.

Niet alleen het havengebied van Liverpool ondergaat een transformatie, maar ook het centrum van de stad. Liverpool is in 2008 de culturele hoofdstad van Europa, en dan moet 17,5 hectare zijn omgetoverd tot modern winkel- en woongebied. Dit betekent dat de openbare ruimte in het centrum voor een groot deel verdwijnt. Het gebied wordt een speciale zone dat in handen is van commerciële bedrijven en waar particuliere bewakingsdiensten verantwoordelijk zijn voor de veiligheid. Er zullen allerlei gedragsregels gehandhaafd worden, zoals een verbod op demonstreren, op straatverkoop, enzovoort. Commercialisering gaat hand in hand met een verlies van gemeenschappelijkheid.

Dat er in Liverpool grote behoefte is aan stadsvernieuwing is zonneklaar. Hier en daar staan verkeersborden met de waarschuwing `Alcohol Free Zone', en daaronder de tekst: If you drink alcohol in a public space in this area you could be fined up to 500 pounds. De waarschuwingen helpen niet. 's Ochtends waait je een zware bier- en pislucht tegemoet, en je schoenen plakken vast aan het trottoir.

De Biënnale is een machtig instrument in het transformatieproces van Liverpool. Het economisch rendement van grote internationale tentoonstellingen is altijd al enorm geweest. De Biënnale van Venetië is in 1895 opgezet om het verval van de stad tegen te gaan. De eerste keer kwamen er direct 200.000 bezoekers op af, mede dankzij een `combikaart' met de spoorwegen. Van de Documenta in Kassel is berekend dat iedere door de stad geïnvesteerde euro zeven euro oplevert. Alweer: het is verbazingwekkend dat in ons land, waar de overheid niets anders doet dan bezuinigen op kunst en cultuur, waar het economisch rendement de maat aller dingen is, en waar de musea zich massaal het vuur uit de sloffen lopen om aan de rendementseisen te voldoen, niemand op het idee komt om ook zoiets te organiseren (en zodoende de musea en andere kunstinstellingen te ontlasten zodat ze hun eigenlijke werk kunnen doen).

Het zwaartepunt van de Biënnale van Liverpool is de International 04. Achtenveertig kunstenaars van over de hele wereld zijn voorgedragen door vier `onderzoekers', twaalf per persoon : Sabine Breitwieser (Wenen), Yu Yeon Kim (Seoul/New York), Cuauhtémoc Medina (Mexico City) en Apinan Poshyananda (Bangkok). Het `onderhandelen' met de kunstenaars, zoals het wordt genoemd (`negotiating') en de verdere organisatie van de tentoonstelling, was in handen van Engelse curatoren. De werken zijn verspreid over de stad, en het merendeel is te zien in de Tate.

En hier gaat het fout. International 04 is een zouteloze mengeling van internationale, politiek correcte, site specific kunst. Dit is niet de eerste keer, het is een euvel waar veel biënnales aan lijden. Nadat de westerse kunst zich met het postmodernisme heeft ontdaan van alle modernistische dogmatiek, heerst in de kunst sinds enige tijd een nieuw en tot dusverre onaantastbaar dogma, het Multiculturele Dogma. Maar juist Liverpool behoeft op dit gebied geen enkele correctie, deze stad is sinds eeuwen multicultureel. De Chinese gemeenschap (de stad heeft een Soho met eigen Chinese stadspoort) is de oudste van Europa, er is een grote gemeenschap van Indiërs, en alle nationaliteiten zijn hier zo'n beetje vertegenwoordigd.

Die multiculturele kunstdwang leidt bijvoorbeeld tot een installatie als die van de Japanner Takashi Murakami, die `in zijn werk de tegenstelling tussen Oost en West' wil uitspelen. Hij ziet geen verschilt tussen hoge kunst en populaire cultuur. Hij ontleent zijn thema's aan amusementsparken en schonk de wereld zijn trademarked Mr. dob, `een gemuteerde Mickey Mouse' zoals curator Mark Daniel in de catalogus schrijft. Dit zijn wel heel uitgekauwde ideetjes – Murakami's installatie met plastic poppen is er dan ook naar.

Of de installatie van de Thaise kunstenaar Navin Rawanchaikul, getiteld Super(m)art – How to be a Succesful Curator: A Survival Game. Een spel met levensgrote poppen, met als middelpunt een jonge, mobielbellende curator met vliegtuigkoffer en een oudere Zuidamerikaanse kunstenaar die de curator zijn naamkaartje probeert te overhandigen. Het is Rawanchaikul nauwelijks aan te rekenen. Wat moet je als kunstenaar als je graag wilt exposeren in de Tate Liverpool, en je moet het werk ter plaatse maken, reagerend op de stad of de situatie, ondertussen steeds onderhandelend met curatoren? Je kan natuurlijk weigeren om mee te doen, maar dat is wel veel gevraagd, zeker van kunstenaars uit niet-westerse landen die een kans zien om toegang te krijgen tot de westerse kunstwereld. Het Multiculturele Dogma is een vorm van neokolonialisme, verhuld in een mantel van politieke correctheid en moralisme.

Het grote verschil tussen de International 04 en de andere tentoonstellingen, is dat New Contemporaries en John Moores gemaakt zijn met bestaande kunstwerken. Het werk dat te zien is op de International 04 is speciaal voor de tentoonstelling gemaakt. Het idee dat de `lokale situatie' zorgt voor een context of samenbindende thematiek is een illusie. De tijdsspanne waarbinnen het werk geproduceerd moet worden is veel te kort. Vooral ook is het zinloos om van kunstenaars die van alle delen van de wereld zijn ingevlogen te vragen om `iets te doen' met een lokale situatie die hen totaal vreemd is.

Meeslepend

Uit onderhandelingen komt geen goede kunst voort. Curatoren zijn geen goede opdrachtgevers, bijna altijd ontbreekt het hen aan een overtuigende visie op de kunst en aan voldoende kunsthistorische kennis. Mocht er ooit een biënnale worden georganiseerd in Nederland, dan nu vast een verzoek: heb het lef om specifieke kunst te kiezen. Of, op zijn minst, kies zelfstandige voorstellen.

Gelukkig is niet alles even slap. De Amerikaanse Jill Magid (1973) maakte een meeslepend werk, te zien in het film- en videocentrum FACT. Magid zette de plaatselijke politie en de 242 bewakingscamera's die het centrum van Liverpool rijk is, in om zich te laten observeren. Het videomateriaal verwerkte zij tot een film waarin we haar, een mooie jonge vrouw opvallend gekleed in rode jas, kunnen volgen op wandelingen door Liverpool, ritmisch afgewisseld met andere beelden van de stad. Het is een raadselachtige en poëtische film. Er hoort een dagboek bij waarin Magid haar verblijf in Liverpool optekende, in de vorm van liefdesbrieven geschreven aan de politieman die haar observeert. Ook noteerde ze conversaties met hem. Soms belde ze hem om te zeggen dat ze haar huis verliet, soms maakte ze er een spel van en moest hij haar zoeken.

Hier een fragment van een gesprek nadat Magid haar politieman heeft opgebeld: ,,Moet ik je volgen? Dat mag je. Ik wilde je alleen laten weten dat ik naar buiten ga. Hoe lang moet ik je volgen? Zo ver als je wilt. Ik zou je volgen tot het einde van de wereld. Met motorfiets en al? Zou je dat willen? Ja. Dan zal ik dat doen. Praat niet met vreemde mannen. Ok.''

In de film Final Tour, die weemoedig is en van een grote schoonheid, zien we Magid bij haar minnaar achterop de motorfiets. Ze houdt hem vast, ze rijden door de stad, beiden voorovergebogen, de beelden zijn vertraagd, de lichten van de auto's en de motorfiets en de stoplichten trekken strepen door het beeld, en eindelijk verlaten ze Liverpool.

`Liverpool Biënnale, internationaal festival van hedendaagse kunst' is geopend t/m 28 nov. www.biennial.com.

Het werk van de jonge Britse kunstenaars is van 17 nov. tot 15 jan. ook te zien op verschillende plekken in Londen, waaronder de Barbican Art Gallery.