Krijgt men ooit een tweede kans?

Ze heeft gelezen dat blinden die na een operatie plotseling kunnen zien, al die nieuwe sensaties eerder verwarrend dan prettig vinden. Dat sommigen zelfs liever weer blind worden. Ze let graag op acteurs die een lijk spelen in films; ze kijkt of ze hun ademhaling ziet. Ze heeft een theorie over misdadigers die, in ruil voor het verraden van hun maatjes, een nieuwe identiteit krijgen aangeboden: ze denkt dat de FBI hen gewoon doodschiet, nadat ze hun belastende verklaringen hebben afgelegd, en dat hun verdwijnen ten onrechte wordt opgevat als teken dat zo'n nieuwe identiteit goed werkt.

Zo denkt Lizz Dunn, 36 jaar. Ze leeft vooral in haar hoofd en denkt evenveel na over mensen als over planeten, en min of meer op dezelfde manier. De vertelster van Douglas Couplands nieuwe roman Eleanor Rigby is zo eenzaam dat ze de gordijnen dicht laat, dat haar bemoeizuchtige moeder, broer en zus de enigen zijn die ooit over de vloer komen; zo eenzaam dat ze nooit iets te drinken heeft in haar kale levenloze huis (goed voor zichzelf zorgen vindt ze typisch iets uit een dom zelfhulpboek); zo eenzaam dat ze geen idee heeft of ze snurkt. Haar e-mailadres is eleanorrigby@arctic.ca, naar het Beatles-liedje over al die eenzame mensen en waar ze toch vandaankomen en thuishoren. Er is een reden voor Lizz Dunns eenzaamheid, maar het is natuurlijk geen goede reden, en ze ploetert dapper voort. Zorgvuldig plant ze haar dagelijkse dingetjes om ze groot te doen lijken, en haar leven gevulder.

Dan, vlak nadat haar moeder haar heeft opgehaald bij de kaakchirurg die onder narcose haar verstandskiezen heeft getrokken, duikt ineens haar twintigjarige zoon op. Jeremy, het kind dat ze gebaard heeft toen ze zestien was, als bijproduct van een drankovergoten Rome-reis, en dat ze destijds meteen heeft laten adopteren. Elf adoptiegezinnen heeft hij afgewerkt – of liever, die hebben hem afgewerkt – en nu komt hij bij haar terug. Ze kunnen het meteen goed met elkaar vinden. Verrast merkt ze op hoe warm en zacht het voelt om iemand liefdevol vast te houden; dat had ze nog nooit bewust gedaan. Vervelend is alleen dat Jeremy ernstig ziek is: multiple sclerose, de progressieve variant. Als hij zijn medicijnen niet neemt, hallucineert hij een heel volk van boeren bij elkaar die denken dat de wereld zal vergaan en die luisteren naar een stem uit de hemel.

Dat is meteen het belangrijkste thema van Couplands werk, al sinds zijn debuut Generation X, dertien jaar geleden: de zinloosheid van het leven en de manieren die mensen zoeken om er toch iets van te maken voordat ze doodgaan. Liefde, religie, wetenschap, betekenisvol werk, familiebanden, gezondheid: het helpt wel een beetje, maar het blijft pappen en nathouden; we blijven onze korte tijd op aarde als Eleanor Rigbies eenzaam in ons eigen hoofd ronddwalen. Daarna is het over en daar is niets aan te doen. We kunnen onszelf hooguit een beetje troosten, of elkaar, als we veel geluk hebben.

Dat geluk heeft Lizz Dunn in elk geval wél. Haar zus probeert het leven betekenis te geven door haar borsten vol siliconen te stoppen, haar moeder door dwangmatig alles onder controle te houden – maar Lizz lijkt een `echter' soort zin van het leven te vinden. Jeremy is haar zoon en messias. Hij laat haar liefde ontdekken. Hij laat mensen háár ontdekken. Hij vult haar huis, haar wereld. Hij kookt voor haar. En hij gaat dood.

Lizz vroeg het zich al af: krijgen mensen eigenlijk ooit een tweede kans, krijgen ze écht een nieuwe identiteit aangeboden? Kan iemand die eenzaam is geweest weer leren om contact met andere mensen te hebben, zoals een blinde weer kan leren zien? Antwoorden geeft Coupland niet, wel hoop. En twijfels.

De boeren in Jeremy's visioenen kregen onder meer van hun god te horen dat ze nooit zullen weten of ze waken of slapen. Heeft Lizz de komst van haar zoon misschien gedroomd, vanuit haar tandartsnarcose? Het zou een aantal bizarre verhaalwendingen verklaren. Het is ook wel erg toevallig dat hij verschijnt als die kiezen eruit zijn; tanden en kiezen in een droom zouden immers voor kinderen staan. En dat Jeremy matrassenverkoper is, nee, verkoper van `perfecte slaap-oplossingen', is natuurlijk ook niet voor niets. Is Lizz in haar narcose gebleven? Leven we überhaupt wel, kun je je vervolgens afvragen; dromen we niet gewoon alles? En maakt dat iets uit? Ook in zo'n droom is de dood nooit ver weg en is troost zeer gewenst.

De hoop die Coupland biedt, is dat er altijd wel iets te vinden is dat kan troosten – tijdelijk weliswaar en onvollledig, maar soms ook allesoverheersend. Of relatief eenvoudig. Zoals zijn eigen boeken troosten, met hun blijmakende zinnetjes, met mensen die grappig zijn omdat ze toch wát moeten, net als echte mensen, met observaties en theorietjes die van jezelf hadden kunnen zijn. Dat betekent: iets moet mensen binden. Volledig eenzaam kunnen we toch niet zijn.

Douglas Coupland: Eleanor Rigby. Fourth Estate, 249 blz. € 19,95