Kerry

Elke keer als ik midden in de nacht opsta om een gebeurtenis in de Verenigde Staten rechtstreeks op de televisie te volgen, moet ik aan heel vroeger denken. Toen klauterde ik versuft van slaap uit bed om de gevechten van Cassius Clay (later Mohammad Ali) te kunnen gadeslaan. Tegen Liston, Patterson of Frazier.

Later, ik ging vooruit, waren het alleen nog de presidentiële debatten die me uit mijn slaap mochten halen. Oók boksgevechten, zou je kunnen zeggen, maar dan gesublimeerd. Het was niet toevallig dat een commentator op CNN vannacht na afloop van het debat Bush-Kerry zei dat ,,er geen knockout punch was geweest''.

Wat was er wél geweest? Wat mij betreft: vooral John Kerry.

Mijn vertrouwen in hem was de laatste maanden aanzienlijk gedaald. Met de dag begon hij meer op een windvaan dan op een plechtanker te lijken. Ik herinner me nog goed dat hij Bush aan het begin van de strijd opriep een schone campagne te voeren. Dat klonk netjes, maar naïef. Een presidentskandidaat moet zich meteen tot de tanden wapenen, want hij betreedt het rijk van het kwaad.

Sindsdien hebben we niet veel opmerkelijks van Kerry gehoord. Hij kon aardig windsurfen, maar daar keek niemand meer van op.

Daarom heb ik vannacht met de nodige verbazing naar hem zitten kijken. Hij bleek een begenadigd spreker: ontspannen, zelfverzekerd en direct. Hij scoorde de punten die hij zich duidelijk had voorgenomen te scoren. Vooral met de mislukte jacht op Bin Laden dreef hij Bush herhaaldelijk in de hoek. (U merkt het: we gaan weer boksen.)

Kerry leverde een foutloze performance waar Bush nogal schriel bij afstak. De president is nu eenmaal geen groot oratorisch talent, maar hij maakte nu ook nog de fout zich te veel in de verdediging te laten dringen. Hij zocht te vaak naar woorden en keek te verontwaardigd naar Kerry.

Als ik vannacht uit een jarenlang coma was bijgekomen en men had mij gevraagd wie van deze mannen de president van de Verenigde Staten was, had ik zonder aarzelen Kerry genoemd. Hij leek de president, Bush de uitdager. Bush kon eigenlijk alleen maar pareren met verwijzingen naar de tegenstrijdige uitspraken die Kerry in het recente verleden heeft gedaan – en die hem nog steeds kwetsbaar maken.

Op twee momenten ondernam Bush een vlucht naar voren, de sentimentaliteit in. Zuchtend begon hij te vertellen over ,,Missy Johnston'', een oorlogsweduwe die hij had moeten troosten: ,,Missy begreep het.'' Even daarna keek hij de camera in en zei: ,,Ik moet ons volk beschermen.'' Die overgang was al te abrupt. Later begon hij Kerry ongevraagd te prijzen als `een geweldige vader', wiens aardige dochters hij ook eens had ontmoet. Kerry reageerde beleefd, maar afstandelijk: Bush had `a great wife' en met zijn dochters had hij ook een keertje leuk gelachen.

Zo liep ook het charme-offensief van Bush op niets uit.

Als ik het, met dank aan Cassius Clay, mag samenvatten: Bush heeft nog steeds een voorsprong op punten, maar zijn uitdager hangt niet langer in de touwen.

Op naar de volgende ronde.