Ismail Kadare, meester van de mythologie

Volgende week donderdag wordt bekendgemaakt wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Welke taal is aan de beurt? Na het Nederlands, Turks, Ests, Sloveens en Bahasa Indonesia ons zesde voorstel: het Albanees.

Albanië, het geboorteland van de schrijver Ismail Kadare, is een land als een legende. Eeuwenlang werd het geregeerd door de `kanun', de oerwet die de bloedige eerwraak tussen families regelde. Na de Tweede Wereldoorlog verkeerde het dankzij de communistische dictatuur ook nog eens tientallen jaren in een extreem isolement, waarin geruchten de feitelijke informatie vervingen. Nu het land de moderne vrije wereld omarmt, circuleren die geruchten nog altijd en bloeien eeuwenoude vetes weer op.

Kadare bleef lange tijd gevrijwaard van de communistische terreur. Maar eind jaren zestig begon hij toch voor zijn leven te vrezen. Daarom stelde hij voor een roman te schrijven over de breuk van Albanië met de Sovjet-Unie in 1961, waarin de dictator Enver Hoxha naar zijn oprechte mening een heldenrol had vervuld. Hoxha hapte toe, liet Kadare toe tot de geheime staatsarchieven en wachtte twee jaar af.

Die jaren benutte Kadare om twee romans te voltooien en zijn magistrale debuutroman De generaal van het dode leger in het Frans te publiceren – waarmee hij internationaal doorbrak. Toen het geduld van Hoxha begon op te raken, voltooide Kadare snel De grote winter. Het boek was een concessie van een schrijver die wil overleven in een dictatuur, maar tevens een goed ontvangen koningsdrama in de trant van Shakespeare, Kadare's grote held. De roman, waarin Hoxha figureert als eenzame held, zou Kadare nog vele jaren bescherming bieden.

Een boek dat eerst dient als voorwendsel en later als vrijwaringsbewijs klinkt legendarisch. Dat past goed bij Kadare, want hij is een meester van de mythologie. Griekse mythen en Albanese legenden verweeft hij met de geschiedenis van zijn land – van de Turkse overheersing in de Middeleeuwen tot de prille democratie van nu. De lezer van zijn korte, glasheldere romans raakt even vertrouwd met de eigenaardigheden van het Ottomaanse rijk en de communistische dictatuur als met de Prometheus-mythe en de bessa, de Albanese belofte die zelfs door de dood niet gebroken kan worden.

Ismail Kadare (1936) studeerde letteren in de Albanese hoofdstad Tirana en in Moskou, totdat het conflict tussen Albanië en de Sovjet-Unie hem dwong naar huis te gaan. Na zijn terugkeer publiceerde hij De generaal van het dode leger, waarmee hij in één keer de belangrijkste Albanese schrijver werd. Hij schreef tientallen romans die weliswaar vaak scherp werden bekritiseerd in de regeringspers, maar doorgaans toch werden gepubliceerd. Pas in 1991 emigreerde Kadare naar Frankrijk, en sindsdien woont hij afwisselend in Parijs en Tirana.

Kelders

Van zijn geboortestad Gjirokastra in het bergachtige zuiden van Albanië herinnert Kadare zich hoe groot en leeg zijn ouderlijk huis leek. Vooral de enorme kelders zijn hem bijgebleven, vertelde hij in interviews. Sommige literatuurcritici zien die kelders in Kadare's werk terugkeren in de gedaante van de hel en verzuimen daarbij niet Dante's Goddelijke Komedie te noemen. Inderdaad tellen Kadare's romans nogal wat gruwelijke onderaardse ruimten: de duistere onderwereld waar Prometheus zijn straf uitzit en kerkers vol blindgemaakte gevangenen.

Kadare's kelders zijn echter ook de toegangspoort tot een parallelle wereld, die zich bijvoorbeeld manifesteert in geruchten over archieven vol belastende informatie ergens ondergronds. Dat doet denken aan De Mântuleasastraat van de Roemeen Mircea Eliade, waarin kinderen via de kelder verdwijnen naar een bestaan dat zich alleen laat verklaren met volkssprookjes. De twee Balkanschrijvers zijn ook enigszins verwant in hun fascinatie voor overleveringen, die voor hen het DNA bevatten van het menselijk bestaan: dood en verlossing, trouw en verraad, leugen en waarheid, eenzaamheid en troost.

Maar Kadare bejegent de overleveringen met veel minder ontzag dan Eliade en veel andere schrijvers met een mythenmanie. Hij onderwerpt ze aan een grondig onderzoek – bijna letterlijk in het zojuist in het Nederlands vertaalde Koude bloemen in maart. Daarin ondervraagt een politieagent de moeder van Oedipus over de vraag of ze echt met haar zoon heeft geslapen en krijgt van haar twee tegenstrijdige verklaringen. Overleveringen zijn bij Kadare namelijk allesbehalve eenduidig en onveranderlijk.

Soms kneden machthebbers oorspronkelijke overleveringen bij voor politiek en economisch gewin. Dat is heel mooi te lezen in de Brug met de drie bogen, die speelt aan het einde van de veertiende eeuw in wat dan nog Arberië heet. Deze als kroniek vermomde roman draait om de bouw van een stenen tolbrug over een rivier. De uitbaters van de concurrerende veerpont laten de brug-in-aanbouw 's nachts vernielen door een metselaar en huren een sprookjesverteller in om in de herberg te vertellen dat de watergeesten boos zijn.

De bruggenbouwers slaan terug met een bestaande maar wat aangepaste legende over de bouw van een brug, die wordt gefrustreerd doordat wat overdag wordt gemetseld 's nacht weer instort. Pas als een mens levend wordt ingemetseld in een van de pijlers kan de brug worden voltooid. De bruggenbouwers laten de legende verspreiden en metselen vervolgens de vernielzuchtige metselaar in.

De schrijver Ivo Andric won ooit de Nobelprijs met een roman, waarin de Bosnische versie van deze legende was verwerkt. Kadare vond dit boek erg mooi, schrijft hij in De Schemering der Steppengoden, maar ,,toch was ik ervan overtuigd dat (-) de Albanese variant (die de oudste was) ook zonder enige twijfel de mooiste was.'' Ook in andere boeken laat Kadare geregeld weten dat de Albanese legenden de mooiste van de Balkan zijn en bovendien net zo oud als de Griekse. Is Kadare een chauvinist, zoals hem wel eens is verweten? Nee, de Albanese legenden zijn voor Kadare geen trofeeën van nationale trots, eerder een vorm van zelfbehoud.

Neem De Schemering der Steppengoden, het autobiografische boek waarin Kadare zijn studietijd in Moskou beschrijft. De Albanese hoofdpersoon is eenzaam op het Gorki-instituut waar hij studeert met tal van schrijvers uit de hele Sovjet-Unie en uit de satellietstaten. Huiveringwekkend zijn de drinkgelagen, waarbij schrijvers in tientallen ,,vaak halfdode'' talen door elkaar opscheppen over boeken die ze nooit zullen schrijven en zwijgen over de kruiperige propaganda die ze wel schrijven. Buiten het instituut hebben alleen een paar oude Russische en heel jonge vrouwen sympathie voor buitenlanders zoals hij.

Dan worden de Slavische `steppengoden' pas echt angstaanjagend. De Sovjet-machthebbers beginnen een zeer felle campagne tegen de schrijver Boris Pasternak, nadat die de Nobelprijs heeft gewonnen. De opportunisten ondertekenen petities tegen Pasternak, de principiëlen vallen in een geestelijke afgrond. Een pokkenepidemie isoleert de buitenlanders nog meer en Albanezen zijn helemaal melaats na de breuk tussen Tirana en Moskou. Het isolement wordt zo groot dat de hoofdpersoon zichzelf dood verklaart.

Op dat moment komt de Albanese `bessa'-legende tot leven. In die legende belooft een zoon zijn moeder dat hij zijn zuster te allen tijde thuis zal brengen. Hij sterft en zijn moeder vervloekt zijn graf omdat hij de `bessa', de heilige eed, heeft gebroken. Dan komt de dode zoon uit zijn graf, zet zijn zuster op zijn paard en brengt haar naar zijn moeder. Op dezelfde wijze herrijst de hoofdpersoon uit zijn maatschappelijke dood en slaagt er ondanks tal van obstakels in afscheid te nemen van zijn Russische geliefde, zoals hij haar ooit had beloofd.

Brandkast

De oeroude legende geeft de ontwortelde vreemdeling zijn gevoel van eigenwaarde en zijn culturele identiteit terug. Dat is een hoogst actueel gegeven in een moderne wereld waarin miljoenen mensen verhuizen van het ene land naar het andere. De legende, zou je kunnen zeggen, beschermt het individu tegen het verlies van zijn persoonlijkheid. Evenzo is de legende de brandkast waarin een land zijn eigenheid in taal, cultuur en geschiedenis kan bewaren.

Albanië is zoals veel landen in de Balkan langdurig een speelbal geweest van vreemde mogendheden. Vijf eeuwen lang maakte het land deel uit van het Turkse rijk, dat Kadare veelvuldig heeft verwerkt in zijn romans. Het Ottomaanserijk is in zijn ogen een prachtig voorbeeld van een bureaucratisch en onderdrukkend wereldrijk, dat de talrijke volkeren binnen zijn grenzen wist te onderwerpen aan een centraal gezag.

In De Nis der Schande komt de pasja van Albanië begin negentiende eeuw in opstand tegen de sultan. Hij wordt verslagen en onthoofd en zijn hoofd komt in de `nis der schande'. Dat is een nis in een muur aan het centrale plein in de Ottomaanse hoofdstad Constantinopel, waarin de hoofden van opstandelingen worden tentoongesteld – ter afschrikking. De nis is een manier om het rijk te kunnen beheersen, net als het Dromenpaleis en Centraal Archief die vaak terugkomen bij Kadare. In het Dromenpaleis worden alle dromen uit het rijk verzameld en in het Centraal Archief wordt alles bewaard: alle onroerend en roerend goed, maar ook alle kennis over de onderworpen landen van klederdracht en muziek tot bruiloften en taal.

Na de opstand overweegt de sultan in Albanië over te gaan tot de `kra kra', de totale denationalisering van het opstandige land, door de cultuur uit te roeien. De taal wordt bijvoorbeeld verarmd totdat zij alleen nog voor ,,droge kronieken'' geschikt is. ,,Zo'n taal werd praktisch ongevaarlijk want zij verloor, als een vrouw bij wie de baarmoeder is weggenomen, haar vermogen, gedichten, verhalen of legenden voort te brengen.''

Het ligt voor de hand om in dit Ottomaanse rijk van Kadare de Sovjet-Unie te zien, met zijn langdurige onderdrukking en denationalisering van de talloze volkeren. Maar dat is wat beperkt. De absurdistische verbeelding van verzonnen bestuursinstellingen als het Dromenpaleis doen ook denken aan de bijna dromerige manier waarop Kafka in enkele ultrakorte verhalen de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie verbeeldde. En de neiging van grote rijken om onderdanen gelijk te schakelen is niet verdwenen met de val van het communisme. In de Europese Unie bijvoorbeeld worden tal van lokale tradities vermalen in centrale regelgeving – al dan niet terecht.

In Koude Bloemen in Maart, dat speelt in het huidige Albanië, leeft de `kanun' weer op. De zwager van de hoofdpersoon raakt betrokken in een zeer oude bloedvete en doodt een lid van een andere familie. Hij wil de wraak-weerwraakspiraal doorbreken door zich te laten doden door de regering, die dan wel moet verklaren te handelen volgens de kanun. De regering weigert, omdat de Europese Unie ernstige bezwaren heeft als een land zich formeel inlaat met een verwerpelijk oud gebruik. Het is een sombere afloop.

Kadare's romans zijn ook somber, om niet te zeggen inktzwart. Toch gloeit bij hem ook de hoop, vaak heel onverwachts.

In De Nis der Schande lijkt in een provincie alle leven uitgeblust, maar onbedoeld blaast de corrupte hoofdenjager met het heimelijk geven van voorstellingen van afgehakte hoofden weer enig leven in het land: iemand probeert zelfs een gedicht te schrijven. Dat lijkt te staan voor het schrijverschap van Kadare: hij brengt leven in een kaalgeslagen wereld met zijn romans, in een taal die wel het vermogen heeft `gedichten, verhalen of legenden voort te brengen.' Legenden die hij zuivert, vernieuwt en aanvult tot zijn eigen legenden die onontkoombaar waar lijken.

De boeken van Ismail Kadare verschijnen bij uitgeverij Van Gennep. Biografische gegevens zijn ontleend aan Piet de Moors `Een masker voor de macht, over Ismail Kadere', uitgeverij Van Gennep, 1996.