Het algemeen verdriet

Op de middelbare school, vèr terug in de vorige eeuw, leerde je dat er eens twee koningskinderen waren die elkander zo lief hadden, maar wat dat aanging tot het ongeluk voorbestemd, `want het water was veel te diep'. Het hoorde tot het repertoire van de late Middeleeuwen. Mijn moeder zong aan de piano over `het meisje van de zangvereniging, dat allerliefst sopraantje met wie ik wandelde in 't laantje, maar die niet meer aan me denkt nu 'k niet meer zing'.

Twee teksten die te denken gaven. Want welk water was te diep? Iedere diepte is overbrugbaar. Gaat het niet eerder om de breedte? In dit geval niet. `Diep' is hier geen onbepaalde lengte in het verticale, maar heeft een zielkundige betekenis, of misschien een politieke. Aardrijkskundig gezien denk je aan een zekere breedte, van de Bosporus of het Nauw van Calais. In andere gevallen aan godsdiensttwisten, twee vorstenhuizen die elkaar haatten, of beide kinderen waren al aan iemand anders uitgehuwelijkt. Onoverkomelijke toestanden.

En de man uit het liedje van Dirk Witte, die niet meer zingt roept ook vragen op. Is hij geen lid meer van die vereniging? Of heeft hij door niet nader genoemde ervaringen het zingen verleerd, vindt hij zich te oud om te zingen, hebben de jaren hem alle lust tot zingen benomen? Daar hoeven we geen nauwkeurig antwoord op te horen of te geven. Die man zingt niet meer, nooit meer en de melancholie in de melodie leert je dat hij heimwee naar vroeger heeft. Dat is genoeg.

Dan komt het Duitse verdriet van voor de Tweede Wereldoorlog uit de koffergramofoon. Niet iedereen zal weten wat dat voor apparaat is. Het ziet eruit als een koffer die je nog net in de cabine van het vliegtuig mee mag nemen. Het deksel gaat in de lengte open. Daaronder zie je de draaischijf voor de 78 toeren plaat, een gat waar het geluid uit komt, en het membraam waarin je aan de onderkant de naald schroeft en dat aan de achterkant bevestigd is aan een krom buisje. Het geluid komt uit het gat dat naast dit buisje zit. Aan de rechterkant van het koffertje zit een klein gaatje, voor de slinger waarmee de veer van de motor wordt opgewonden.

Voor mij als kind bestond het Duits verdriet uit het Adieu mein kleiner Gardeoffizier, gezongen door Lilian Harvey. Flarden tekst zijn me bijgebleven. Jedes Pferchen hat sein Märchen, Liebe halt ewig gestand. Einmal heisst es, jeder weisst es, reich mir zum Abschied die Hand. Dann ist der Himmel nicht mehr blau, das weisst du ganz genau. Prachtig was dat. En aan het einde zei Lilian: `Vergessen Sie nicht, die Nadeln zu verwechselen'. Na iedere plaat moest de gramofoon worden opgewonden, en na drie nummers moest er een nieuwe naald in. Muziek maken was werken.

Het grote universele, boven de belligerenten uitstijgende lied van het verdriet was Lili Marleen, gezongen door Lale Andersen, iedere avond om tien uur gedraaid door de `Soldatensender Belgrad'. Alle soldaten aan alle fronten luisterden als ze niet aan het vechten waren. Het gaat over een soldaat en een meisje die elkaar iedere avond bij de straatlantaren voor de kazerne ontmoeten. 'Unsere beide Schatten sahen als eine aus, das wir so lieb uns hatten, das sah man gleich daraus'. Dan komt de oorlog. Afscheid. Maar ondanks het verdriet, gloeit de hoop: 'Da wollen wir uns wieder sehen, bei der Laterne wollen wir stehen, wie einst Lili Marlene'. Ook prachtig. Vera Lynn met haar `We'll meet again, don't know where don't know when, but I know we'll meet again some sunny day' was ook wel mooi, maar anders. Had niet die gesluierde melancholie.

Met de Bevrijding kwam het Amerikaanse verdriet, en daarin Jo Stafford, met de Tennessee Waltz als de kampioene. Ze danst met haar verloofde. Dan komt er een vriendin die ook even met hem wil dansen. Dat gebeurt. `And while they were dancing, my friend stole my sweetheart from me'. De melodie is zo sloom, zo sentimenteel dat de stroopvaten op zolder ervan gaan lekken (zoals Belcampo het heeft uitgedrukt). Omstreeks de jaren vijftig, schat ik, begint dan de mondialisering van het verdriet, waarin de nationale trekken zich min of meer handhaven. Bij André Hazes heb ik wel eens gedacht aan Pepino di Capri, de Italiaanse zanger die zich onder andere in het lento rock had gespecialiseerd.

Een van de beste verdrietliedjes uit het Nederlandse repertoire vind ik het Annie, hou jij me tassie effe vast. Want, zingt ze verder, `die gozer wil met me dansen'. Al vlug komt ze haar tasje terughalen, `want die gozer die kennie dansen'. Hoe illusie binnen een minuut in ontgoocheling verkeert. Het is niet het soort verdriet dat de massa aangrijpt.

Adama van Scheltema heeft geschreven: `Lik niet aan de stroop van bedorven verdriet'. Een goeie raad, maar een parel voor de zwijnen. Verdriet moet juist bedorven zijn voor je er lekker aan kunt likken. Zonder dat verdriet zou er geen muziekindustrie, geen entertainment zijn. Zet de radio maar aan, dan hoort u het zelf.