Harm de Jonge laat Elle Eend en Mors Mol veel kletsen

Er zitten een paar gave dieren in het dierenverhaal De Peperdans van Panzibas van Harm de Jonge. Neem de heer H. Duif, `de deftige dichter die zachte woorden schrijft met een vogelveer'. Of het frivole juffertje Bluebel Libel die zo graag het zoenen leren wil, de gehoofddoekte Zorrie Zebravink, gevlucht uit Irganistan, en de kletstante Elle Eend `met korsten rond het poepgat'.

Het zijn elf mooie karakters met mooie dierenaardigheden die Harm de Jonge ons voorstelt en illustratrice Noëlle Smit ving ze in veelkleurige platen waarop veel te beleven valt, alleen – wat praten ze veel! Het jongetje Manne Mens kan ze horen als hij op de blauwe steen bij de plas zit en op een pepermuntje zuigt. Maar waar Harm de Jonge in zijn vorige boek De Gouden Golf bizarre natuurverschijnselen zo beeldend beschreef dat het verhaal nog lang nazinderde, laat hij in De Peperdans van Panzibas de dieren vooral met elkaar praten, daardoor komt het verhaal moeizaam tot leven.

Niet op de momenten dat de dieren kibbelen met elkaar, dat kunnen ze prachtig: bijvoorbeeld de sombere mopperkont Mors Mol tegen de heer H. Duif: `Hou toch op. [...] Zingen in een vers! Zeg toch gewoon dat je een rijmpje maakt. Jij klooihannes met je schrijfveertjes. [...] Jij bent een treurige kunstenaar, Duif. Je ziet de werkelijkheid niet. Dat komt omdat je hoofd vol pluis zit, man!' Of de ouwe snoeper Harrie Oudebok als hij gestoord is bij het versieren van Bluebel Libel die wel eens wilde weten wat dan `het ander' was als na zoenen `van het een het ander' komt. `Het was een mooi gesprek, tot een saploze eendendrol zich ermee bemoeide', zegt de bok dan.

Maar op andere, meer filosofische momenten hebben hun gesprekken iets langdradigs en drammerigs, ook omdat ze geen wereld van zichzelf hebben maar in een vermenselijkte dierenwereld leven waarin de metaforen er nogal dik bovenop liggen: de dieren zijn bang voor de eindstreep (lees: de dood), ze fantaseren over Panzibas (lees: het hiernamaals) en hebben peperbolletjes nodig om de confrontatie met het alledaagse aan te kunnen (lees: drugs/alcohol). De aanwezigheid van het jongetje Manne Mens heeft in het verhaal geen echte noodzaak. Hij maakt een werkstuk voor school over de dieren. Ergens aan het einde van het verhaal zegt hij: `Mijn werkstuk is af. Allemaal erg bedankt! Ik heb gewoon opgeschreven wat jullie tegen elkaar gezegd hebben.' Voor een boek is dat niet genoeg.

Harm de Jonge: De Peperdans van Panzibas, ill.: Noëlle Smit, Van Goor, 9+ €15,50