Een dichter die vergeet te eten

Zo goed als elk gedicht in Eerst dit dan dat, de nieuwe bundel van Nachoem M. Wijnberg, gaat over het schrijven van gedichten. Op zich is dit niets om meteen de bevoegde autoriteiten over in te lichten. Dichters dichten over dichten, dat is van alle tijden. Sinds de twintigste eeuw is poëticale poëzie nog meer in de mode gekomen dan ooit tevoren. Evenals in de beeldende kunst, is het medium niet langer altijd een vanzelfsprekend instrument voor communicatie, maar wordt het gewantrouwd, gethematiseerd en geproblematiseerd. In de Nederlandse poëzie bereikt deze instelling haar hoogtepunt in de jaren zeventig van de vorige eeuw, de bloeitijd van de hermetische poëzie, die streeft naar betrokkenheid op niets dan zichzelf.

Wat wel ongebruikelijk is, is dat Wijnberg, anders dan de meeste dichters die dichten over dichten, meestal niet in de eerste persoon tot ons spreekt. Hij presenteert zichzelf niet als een dichter die zijn eigen opvattingen over poëzie wil opdringen dan wel ondergraven, maar hij verschuilt zich volledig achters de maskers van anderen. De hele bundel wordt bevolkt door vreemde dichters uit het verleden, die binnen Wijnbergs gedichten reageren op elkaars gedichten of in gesprek gaan met elkaar. Nog bevreemdender is het dat de dichters die Wijnberg het woord geeft, niet bepaald goede bekenden zullen zijn van de meerderheid van de toch zo erudiete lezers van deze krant. De hoofdrol in de bundel wordt vervuld door Su Dongpo (1037-1101), die ook bekend staat als Su Shi, Zidan en Dongpo Jushi, een dichter, kalligraaf en staatsman uit de Songdynastie die geldt als de stichter van de hoafang-school. Ook zijn vader Su Xun en zijn broer Su Che, beiden eveneens befaamde literatoren, worden opgevoerd, evenals Su Dongpo's oudere tijdgenoot Ouyang Xiu (1007-1072), de dichter, essayist, historicus en staatsman, die in zijn proza bekend staat als een navolger van de heldere, klassieke stijl van Han Yu (768-824) en die zichzelf voorzag van de eretitel `De oude dronkelap.' Ook Han Yu zelf krijgt het woord, evenals zijn leerling Jia Dao (779-843), die door de meeste critici te licht en te oppervlakkig wordt bevonden. Hun aller voorbeeld Tao Qian (365-427), een van de meest invloedrijke dichters van de Tangdynastie, treedt ook meerdere malen op. Een andere groep gedichten concentreert zich op de Japanse Dogen Zenji (1200-1253), de beroemde stichter van de Soto-school van het Zen-boeddhisme en de aanminnelijke Zenmonnik en kindervriend Ryokan (1758-1831). En nee: al deze informatie heb ik niet uit behulpzame verklarende aantekeningen achter in de bundel. Uw recensent heeft geploeterd. Wijnberg geeft al zijn figuranten zonder enige introductie of toelichting het woord voor een ruim zeventig pagina's durende discussie over de aard van poëzie.

Maar verreweg het meest ongebruikelijke aan deze bundel is dat de discussies over poëzie bij nader inzien minder over poëzie gaan dan over het leven zelf. Ongetwijfeld conform de historische realiteit beoordelen de Chinese en Japanse dichters die worden opgevoerd in deze bundel elkaars poëzie niet zozeer op grond van esthetische criteria als wel op grond van de mate van wijsheid en verlichting waarvan de woorden getuigen: `Su Dongpo over Tao Qian:/ Hij schrijft zoals iemand spreekt die niet meer ongeduldig is.' Dit is geen stilistisch commentaar, maar appreciatie op grond van verwezenlijking van het boeddhistische ideaal van wat in het Japans mushin zou heten, de lege geest, die zich heeft bevrijd van oordelen en verwachtingen en volmaakt in het nu leeft. In hetzelfde gedicht laat Wijnberg Tao Qian over zichzelf zeggen: `Als hij begrijpt wat iets betekent is hij zo blij dat hij vergeet te eten.' Een traditionele definitie van het zen-boeddhisme luidt als volgt: `Ik eet als ik eet en ik slaap als ik slaap.' De uitspraak van Tao Qian is dus op te vatten als zelfkritiek op precies hetzelfde punt als waarom hij door Su Dongpo wordt geprezen. Drie gedichten verderop wordt beschreven hoe Tao Qian op zoek is naar woorden en ze niet kan vinden: `Hij heeft ze wel maar ze zijn als uit een liedje/ dat maakt dat hij dagenlang niet meer proeft wat hij eet.' Wederom schiet Tao Qian tekort in verwezenlijking van het boeddhistische ideaal. En de poëzie is hiervan de oorzaak. Deze spanning tussen de scheppende energie van het dichten en de verwezenlijking van totale rust in de boeddhistische zin van het woord, is een van de voornaamste thema's van de bundel. In het gedicht `In evenwicht brengen' laat Wijnberg Han Yu bijvoorbeeld zeggen: `Iemand kan niet goed schrijven zonder dat hij onrustig is van waar hij vol van is.'

In deze thematiek doet Eerst dit dan dat denken aan het recente werk van Peter Verhelst, dat eveneens worstelt met het dilemma dat de activiteit van het dichten niet te verenigen is met de weg naar satori. Verhelst trekt hieruit de conclusie dat de poëzie van binnenuit kapotgemaakt moet worden. Wijnberg lijkt op zoek te zijn naar een minder rigoreuze oplossing: `Ik kan net zo goed ophouden gedichten te schrijven', zegt hij. Maar drie regels verder voegt hij hieraan toe: `Ik schrijf dit half als grap.' In het gedicht dat hierop volgt lijkt een manier gevonden te worden om te dichten met mushin: `Schrijven met de woorden/ van waar ik over schrijf,/ alsof gevraagd: je spreekt zo zacht, kun je het nog een keer zeggen.// Dan wordt het makkelijk/ te schrijven zonder op te houden,/ zoals ik kan lopen waarheen ik wil/ als niemand op mij wacht.' Maar ongeacht de oplossing die al dan niet wordt gevonden, het verslag van de worsteling met het dilemma levert, evenals bij Verhelst, diepe en fascinerende poëzie op waarmee je niet zo snel klaar bent.

Nachoem M. Wijnberg: Eerst dit dan dat. Gedichten. Contact, 76 blz. €17,50