Discussie over invloed EU op wetten

Twee bestuurskundigen stellen dat de invloed van de EU op nieuwe Nederlandse wetten en regels beperkt blijft tot minder dan de helft. Staatssecretaris Nicolaï (Europa) gelooft daar niet in.

De conclusie van de bestuurskundigen dr. P.O. de Jong en prof.dr. M. Herwijer dat het Europees aandeel in de Nederlandse wet- en regelgeving van Nederland beduidend onder de vijftig procent ligt, sluit aan bij buitenlands onderzoek naar andere lidstaten. Vorig jaar maart publiceerde de Amerikaanse Europa-kenner Andrew Moravcsik (eerst docerend aan Harvard universiteit, vanaf juli in Princeton) een artikel in het Britse tijdschrift Prospect. Daarbij noemde hij voor grote EU-lidstaten een percentage van ,,minder dan twintig procent''. En de Duitse onderzoekster Annette Töller van het Institut für Verwaltungswissenschaft in Hamburg kwam in juli 2003 tot een Europees aandeel in de Duitse wet- en regelgeving van ,,iets meer dan eenderde''.

Moravcsik is toonaangevend expert op het gebied van de juridische verhouding tussen Brussel en de lidstaten van de Europese Unie. Hij verbaast zich in een toelichting over het gemak waarmee in Nederland percentages van zestig tot zelfs tachtig procent voor waar worden aangenomen; zo gaat staatssecretaris Atzo Nicolaï (Europese Zaken) uit van zestig procent. ,,Mystificaties'', zo oordeelt Moravcsik over de hoge percentages. ,,De EU heeft nauwelijks invloed op sterk gereguleerde gebieden zoals de sociale zekerheid, het onderwijs, de volksgezondheid, de infrastructuur, justitie, politie en defensie. Ik vind het een raadsel dat de EU toch geacht wordt veel meer dan 50 procent van de wet- en regelgeving van uw land voor z'n rekening te nemen.''

Omdat de Eerste Kamer vorig jaar wilde weten hoe de vork in de steel zat, vroeg ze de minister van Justitie om nader onderzoek. De senaat wilde van Donner weten wat de oorzaak is van de groeiende regeldruk, met name voor het bedrijfsleven, maar ook welke rol de Europese Unie bij de toename van het aantal wetten en regels speelt.

Twee bestuurskundigen gingen aan de slag. Zij stuitten vooral op een sterk groeiend aantal ministeriële regelingen (circulaires en andere uitvoeringsbesluiten) van departementen als Onderwijs, Volksgezondheid, Landbouw en Verkeer en Waterstaat, gebieden die Moravcsik ook noemt (met uitzondering van Landbouw). Met een gemiddelde dat stijgt van 500 naar 600 regelingen, wordt de toenemende invloed van Europese regelgeving gerelativeerd. Deze laatste groeit wel in omvang, maar de hoeveelheid nationale regels groeit in sommige opzichten harder, zo ontdekten De Jong en Herwijer. ,,Hooguit 16 procent van de nieuwe regelgeving kan worden toegeschreven aan Europese richtlijnen'', stellen zij in een artikel in het Tijdschrift voor Beleidswetenschappen dat al verscheen terwijl het onderzoek zelf nog openbaar moet worden. En: ,,De stelling dat meer dan 50 procent van de nationale regelgeving op het conto van de Europese Unie moet worden geschreven, wordt niet ondersteund.''

Om tot deze conclusie te komen deden De Jong en Herwijer iets dat – ondanks de grote consensus in Nederland over de veronderstelde Brusselse invloed – nog niet eerder was gedaan: ze probeerden de Brusselse oorsprong van nationale wetten en regels over langere tijd te traceren. Ze lieten zoekmachines los op de wet- en regelgeving. Met zoektermen als `EG' en `richtlijn' probeerden ze de eventuele Brusselse bron daarvan in beeld te krijgen. Verder bekeken ze de overzichten die het ministerie van Buitenlandse Zaken elk kwartaal naar de Kamer stuurt van nog in te voeren Europese wet- en regelgeving. Tenslotte baseerden ze zich op een studie naar alle wet- en regelgeving van vorig jaar, die ook op zo'n 16 procent Europees aandeel uitkwam.

De Jong en Herwijer realiseerden zich de beperkingen van deze aanpak. Niet alle wet- en regelgeving die bij Brussel begonnen is, is immers op deze manier traceerbaar. Beide auteurs noemen in dit kader met name de implementatie van Europese regelgeving door andere organen dan de ministeries, bijvoorbeeld door product- of bedrijfsschappen. Ook de gevolgen van primair Europees recht zoals Europese verdragen zouden slechts gedeeltelijk zichtbaar zijn. De eerder genoemde Duitse onderzoeker Töller maakte in haar studie hetzelfde soort kanttekeningen.

Toch durfden de twee Nederlandse bestuurskundigen, onder meer door het sterk groeiend aantal ministeriële regelingen van nationale signatuur, hun eerder genoemde conclusie aan dat het Europees aandeel beduidend minder is dan 50 procent.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken reageerde gisteren zeer kritisch. De woordvoerder van staatssecretaris Atzo Nicolaï zei dat deze bij zijn percentage van zestig procent bleef. De woordvoerder richtte zich niet tegen de belangrijkste conclusie van het onderzoek: het sterk uitdijend aantal ministeriële regelingen van nationale aard, maar tegen de gemeten groei van Europese regelgeving. Deze zou door de beide auteurs zijn onderschat. De lacunes die de auteurs zelf al noemden, zijn daar volgens hem onder meer debet aan.

Daarnaast zouden de vele verordeningen als gevolg van Europese besluiten met rechtstreekse werking (dat wil zeggen zonder tussenkomst van bijvoorbeeld het Nederlandse parlement) niet in het onderzoek zijn meegenomen.

De woordvoerder zei dat hij zelf niet kon aangeven hoe deze lacunes bij elkaar opgeteld alsnog tot de zestig procent van Nicolaï kunnen leiden. Dat kan ook niet: de poging tot kwantificeren is immers gedaan door Herwijer en De Jong, niet door het ministerie van Buitenlandse Zaken. De staatssecretaris baseert zich op een korte inventarisatie van wet- en regelgeving met Europese oorsprong, in 2002 gedaan bij alle departementen in Den Haag.

Vanmorgen werd duidelijk dat Nicolaï deze inventarisatie niet langer afdoende vindt. Hij wil nader onderzoek.