De typiste blijft een groot raadsel

Ook de fiets is een medium, aldus Arjen Mulder. Met zevenmijlslaarzen stapt zijn boek door de historie en laat de mediatheorie tegen haar eigen grenzen aanlopen.

Ik kan niet zeggen dat ik tot nu toe veel belangstelling voor `mediatheorie' heb gehad. En ook al zijn mediastudies tegenwoordig de grote mode in de geesteswetenschappen, ik weet niet of daarin verandering zou zijn gekomen, als ik twee jaar geleden niet Arjen Mulder had gelezen. Zijn bundel Levende systemen (2002) stond vol met originele, stimulerende essays, zoals je ze niet vaak tegenkomt. Ook kwamen de media daarin ter sprake, bijvoorbeeld in een welwillend essay over Marshall McLuhan, de omstreden media-goeroe uit de jaren zestig van de vorige eeuw.

Mulders nieuwe boek gaat nog alleen over media en heet zonder enige franje: Over mediatheorie. Taal, beeld, geluid, gedrag. Een leerzame, onderhoudende inleiding op deze `wetenschap', waaraan valt af te lezen dat de schrijver de inhoud jarenlang op studenten van kunstacademies en aanverwante opleidingen heeft uitgetest.

Hoewel de kunst in zijn boek een belangrijke plaats inneemt, hanteert Mulder een zeer ruime definitie van media. Hij heeft het niet alleen (opvallend weinig zelfs) over schrijvende pers, radio en tv: de `media' van het alledaagse spraakgebruik. Mulder daarentegen verstaat onder media alle artificiële uitbreidingen van menselijke vermogens. Dus niet alleen van de zintuigen; zelfs de fiets wordt door hem als een medium opgevat.

In de praktijk beperkt hij zich niettemin tot uitbreidingen van de vermogens waarmee we de wereld waarnemen – dus toch vooral onze zintuigen. De mediatheorie ontleent er zelfs haar voornaamste betekenis aan, want op de waarneming zouden deze media een geweldige, zij het vaak niet herkende, invloed uitoefenen.

Het uitgangspunt werd al in Understanding media (1964) gedefinieerd door McLuhan, en wel in zijn bekende slogan: `The medium is the message'. Dat wil zeggen: het medium als zodanig heeft onbewust veel meer invloed dan de boodschap die er bewust mee wordt verbreid. De mediatheoreticus, die deze onbewuste invloed aan het licht brengt, pretendeert dus iets te weten dat alle andere mensen ontgaat. Maar hoe komt het, als zijn theorie klopt, dat alleen híj kennelijk geen last heeft van die onbewuste beïnvloeding, waardoor hij deze bij alle anderen kan doorzien?

Consequenties

Arjen Mulder realiseert zich het bezwaar, en geeft toe dat het gebruikte medium (taal, schrift) natuurlijk ook de mediatheorie beïnvloedt. Hoe precies en met welke consequenties voor de theorie – dat komt in zijn boek helaas niet meer aan de orde, maar wél relativeert hij de status van de mediatheorie. Hoewel de mediatheorie pretendeert op haar manier alles te kunnen verklaren, is er méér dan alleen de mediatheorie; zij is een benadering (of `wereld', zoals Mulder schrijft) naast andere benaderingen. En waarom zou iemand zich tot één benadering beperken?

Mulder heeft dat voor de gelegenheid wél gedaan, uiteraard. En dat geeft meteen aan hoe zijn boek met het meeste profijt gelezen kan worden. Niet als een claim op de ultieme waarheid (op de laatste bladzijden laat Mulder de mediatheorie bovendien tegen haar eigen grenzen aanlopen, nota bene in de digitale wereld van de computer), maar als een mogelijkheid om iets te zien en te vatten, dat anders wellicht uit het zicht zou zijn gebleven. Alleen zo lukt het ook om Mulders mediatheoretische verklaringen voor allerlei historische zaken helemaal serieus te nemen. Misschien kan eenzijdigheid soms ook een deugd zijn.

Want eenzijdig is Mulder ongegeneerd, wanneer hij met zevenmijlslaarzen door de historie stapt en Reformatie, wetenschapsrevolutie en de Hollandse realistische schilderkunst laat voortkomen uit Thomas van Aquino's middeleeuwse doctrine van het `letterlijk lezen' en de uitvinding van de drukpers. Of wanneer hij Plato uit naam van het schrift het oude medium van de orale poëzie laat afwijzen, vergetend dat diezelfde Plato (in de Phaedrus) juist het gesproken woord boven het geschreven woord had geplaatst. Of wanneer hij de extatische taal van de Duitse romantici en hun ontdekking van het `onderbewuste' toeschrijft aan een nieuwe methode in het taalonderwijs dat zij van hun moeders zouden hebben ontvangen.

Mulder heeft blijkbaar een zwak voor prikkelende, provocerende visies en verliest dan – al dan niet met opzet – de proporties wel eens uit het oog. Dat neemt niet weg dat hij het belang van media overtuigend weet duidelijk te maken, vooral in het boeiende hoofdstuk over de `historische mediatheorie', waarin de ontwikkeling van het medium taal wordt gevolgd, van gesproken naar geschreven, naar gedrukte, naar getypte taal. Bijvoorbeeld naar aanleiding van de relatie tussen schrift en zelfbewustzijn krijgt men een verrassend inzicht in de manieren waarop de mens in staat is bij zichzelf interne vermogens aan te boren via het ontwikkelen van externe technieken.

Curieus, zij het minder fundamenteel, zijn observaties als die over de introductie van de vrouw in het negentiende-eeuwse kantoorwezen via de typemachine. Op het schrijven zelf had de typemachine niet veel invloed, meent Mulder, maar wel op het geslacht van de schrijvers. De – helaas niet beantwoorde – vraag is alleen waarom uitgerekend vrouwen typistes werden, of telefonistes. Wat heeft hier de doorslag gegeven: het medium of de sekse? Er is voor de mediatheorie beslist nog veel te onderzoeken.

Animisme

Wat steeds terugkeert in Mulders boek is de rol van de kunst. Dat is niet zo verwonderlijk, aangezien Marshall McLuhan op het idee van de mediatheorie was gekomen dankzij het kubisme. Deze vroeg twintigste-eeuwse kunststroming had zich voor het eerst geconcentreerd op het medium van de schilderkunst: het platte vlak, het linnen en de verf. Dankzij deze nadruk op de `autonomie' van het medium geldt de kunst sindsdien als dé plek waar we ons bewust kunnen worden van onze media. Kunst verstoort de `normaliteit' die elk medium via zijn gebruik creëert (met als gevolg dat we het medium zelf over het hoofd zien), kunst maakt het gewone van media tot `iets waarover je kennis kunt vergaren'.

Maar dat is niet het enige. Kunst leeft van het `buitenmediale', schrijft Mulder, van het onvoorstelbare en het onuitsprekelijke. In de kunst is iets bewaard gebleven van het `animisme' van de `mythische voortijden': een hang naar leven en betekenis, die haaks staat op de rationele, wetenschappelijke benadering van de wereld. In elk kunstwerk schuilt een `virtueel gevoel', dat `geactualiseerd' wordt in de reactie van het publiek. In de autonome kunst is dat een op zichzelf steriel gevoel voor het medium zelf, maar in de recente `interactieve kunst', die Mulder in zijn laatste hoofdstuk behandelt, is dat een gevoel voor ons eigen reactievermogen, dat we dankzij de reflectie (die ware kunst altijd opwekt) als zodanig zouden kunnen ervaren. Interactieve kunst drukt ons met de neus op onze verbondenheid met wereld en medemens, en daardoor zouden we tot niets minder dan tot `wederzijdse liefde' worden aangezet.

Dat is natuurlijk prachtig, maar het klinkt ook wel heel erg romantisch. Soortgelijke noties zijn al te vinden bij achttiende-eeuwers als Novalis en Friedrich Schlegel. Het verbaast mij eerlijk gezegd dezelfde noties bij Arjen Mulder (die zich zo te zien liefst met de meest geavanceerde kunst bezighoudt) tegen te komen. Wie zoals ik de huidige crisis in de kunsten graag wil toeschrijven aan het verdwijnen van het romantische paradigma dat aan alle moderne kunst ten grondslag ligt, wordt onwillekeurig door Mulder aan het twijfelen gebracht.

Is de Romantiek toch niet veel méér omvattend dan we geneigd zijn te denken – of schiet de mediatheorie tekort en laat zij, althans op het artistieke vlak, minder nieuws zien dan zij zelf lijkt te denken?

Arjen Mulder: Over mediatheorie. Taal, beeld, geluid, gedrag. V2_/NAI Uitgevers. 230 blz. €18,50