De noodklok, con gusto

Bring it on, gentlemen, das grosse Unbehagen, geef mij de heavy metal van de cultuurkritiek.

`Een biografie met vlakgom geschreven' – dat was het zinnetje waarmee ik anderhalf jaar terug op deze plek een verhaal besloot over een Schotse vriend van mij wiens leven steeds meer in het teken was komen te staan van het uitwissen van de sporen die hij in de wereld had achtergelaten. Hij volgde daarin het voorbeeld van zijn vader, die al uit zijn leven verdween voor het goed en wel begonnen was. Mijn vriend verliet zijn vaderland, verving zijn achternaam door een tweede voornaam, ging zigzaggend de aardbol over en verschanste zich achter een fototoestel waarmee hij magie kon bedrijven. Hij gebruikte zijn roem als rookgordijn en trok in bij mijn buurvrouw, een slaperige schoonheid, die om weer geheel eigen redenen was ondergedoken voor het verleden. Samen raakten ze al snel zo diep incognito dat ook de toekomst hen niet meer herkende. Er kwamen geen opdrachten meer, de roem verdampte en de schoonheid werd ziek en sliep in – waarna mijn vriend vier jaar lang zwijgend als een monnik in zijn tuin werkte, eerst hier en toen op een Schots eiland, voor hij plotseling naar Thailand vertrok, vanwaar mij anderhalf jaar terug nog een laatste kaart van hem bereikte.

Ik begon er juist serieus over te denken een Heart of Darkness-achtige expeditie op touw te zetten om hem daar te gaan zoeken, toen ik een maand geleden opeens een e-mail kreeg.

`Did you hear somebody scream?'

Eén regel. Geen hallo, geen groeten, niet ondertekend. Alleen uit het mailadres viel op te maken wie de afzender was. `Did you hear somebody scream?' Meer stond er niet in. Hoewel de omstandigheid dat hij kennelijk toegang had tot een computer niet direct in die richting wees, zag ik direct gruwelbeelden voor me van Thaise gevangenissen, zoals die de afgelopen jaren in het nieuws zijn geweest in verband met daarin wegkwijnende Nederlanders. Ik reageerde onmiddellijk met een hamerend aangeslagen `Where are you?!' Een mail die ik vervolgens dagelijks herhaalde, voorzien van een steeds dikker boeket vraag- en uitroeptekens – maar het zou het nog bijna drie weken duren voor ik opnieuw van hem hoorde.

Ondertussen las ik – het was augustus, altijd een wrede maand – het ene boek over de crisis in onze cultuur na de andere. Er is iets helemaal mis, dat was duidelijk. Misschien nog niet zo mis als het met die Andere cultuur is (en zeker niet zo mis als diezelfde Andere cultuur ons wil doen geloven dat het is) maar mis genoeg om de noodklok te luiden. En wel con gusto. Een diep in de borstkas vibrerend geluid waar ik altijd een zwak voor heb gehad, vooral wanneer het gepaard gaat met krachtige taal, weidse gebaren en vooral diep bassende stemmen, af en toe tot op het merg doorsneden door een falset op weg naar een climax, of beter nog: de climax, doemsdag mm mmmm, als een gospelzang die kan helpen het dak van onze zelfgenoegzame onverschilligheid te tillen.

Ik mag daar graag in meegaan. De dominee in mij is nou eenmaal altijd jaloers op de zondaar en vice versa. So bring it on, gentlemen, das grosse Unbehagen: normvervaging, existentiële leegte, beleveniseconomie, prikkelconsument, genotsolipsisme (ding!), geperverteerd individualisme, ecologie van de angst, fun-terreur, zielsonteigening, cultuurverlies (dong!), collectief narcisme, hedonisme, scepticisme, nihilisme (ding! dong!). Kortom, de heavy metal van de cultuurkritiek. Ik nam het allemaal tot me als een bokser die vlak voor het gevecht jaknikkend en snuivend als een paard de laatste instructies van zijn trainer aanhoort. Oké. Check. Aha. Tuurlijk. Begrepen.

Toen hij eenmaal uitgesproken was, de imaginaire trainer – toen ik ze uit had, al die boeken – stapte ik de ring in en zag daar weer alleen mijn eigen schaduw staan. Het kon allemaal best waar zijn wat ik net had meegekregen – voorzover ik wist was het waar genoeg; volgens doorgaans welingelichte boeddhistische kringen loopt de dharma al tijden op zijn laatste benen, het ijzeren tijdperk en zo – maar als puntje bij paaltje kwam, kon je met al die morele verontwaardiging nog geen deuk in een krentenbrood slaan. Ik bedoel: roepen in de woestijn, prima, daar ben je onheilsprofeet voor, en de sound is vet in orde, maar je moet wel af en toe iemand kunnen raken, vol op de kaak, recht in het hart anders jaag je zelfs je eigen parochie de bergen in met je `de mens dít' en `de mens dát'. Ik begreep eigenlijk niet eens waar al die belangstelling voor wat `de mensen' doen en laten opeens vandaan kwam. En nu we het daar toch over hadden: waar wás iedereen?

`Still in Thailand', kwam het antwoord van mijn Schotse vriend. `Heb de afgelopen twee jaar minstens twee hele levens doorlopen, een goed en een slecht. Begin nu pas weer contact te zoeken met de buitenwereld. Hoop dat het leven jou een beetje genadig is terwijl het zich zijn verwoestende pad door onze gouden jaren baant.'

`As it decimates its way through our september years', stond er letterlijk. Een uitdrukking die hij in de periode voorafgaande aan zijn vertrek naar het Verre Oosten steeds vaker was gaan gebruiken, en die me altijd deed denken aan de beginregel van David Bowies hit `Golden Years': `Don't let me hear you say lifes taking you nowhere, angel' – gezongen met de nauwelijks bedwongen panische intonatie van een buitenaardse aristocraat in ballingschap. Ik begreep wat hij bedoelde, mijn vriend, maar vond het niettemin moeilijk mezelf te zien als iemand `in de herfst van zijn leven.' Er zou toch van alles nog maar pas beginnen? Nazomer, oké, maar herfst, de ondergang van het avondland... dat seizoen verwachtte ik niet eerder dan over een jaar of twintig. Mijn Schotse vriend zag dat anders, realistischer, wanhopiger.

Ik mailde hem om meer gedetailleerde informatie. Een paar uur later al ik had net mijn crisislectuur naar De Slegte gebracht kwam het vervolg. Hij woonde in Bangkok, een stad die hij beschreef als zijnde `many things, soms is het een groot bordeel onder een snelwegviaduct, soms een recreatief ruimtestation waar de meest bizarre aliens uit het universum bijeenkomen.' En over de afgelopen jaren: `They say: be careful what you wish for, it might come true. Dus als je je een verpletterend mooie exotische vrouw wenst, half Maleis half Thais, een groot houten huis op het strand van een tropisch eiland, en het leven van een strandschooier zonder zorgen of verantwoordelijkheden zullen maar zeer weinigen er ooit achterkomen dat dat niet is wat ze eigenlijk willen. En als je wel tot die ontdekking komt wat blijft er dan in godsnaam nog over? I self-imploded my dream lifestyle, and now I don't know what to wish for anymore...'

Bij die laatste woorden moest ik denken aan de stapel boeken die ik net voor een habbekrats had weggebracht. Een betere uitdrukking voor de terminale fase in onze cultuurcrisis had ik daar niet in aangetroffen. Toch was dát niet de reden dat ze me zo raakten. Ik ervoer zelfs enige weerzin tegen duiding in die richting – te `mooi makkelijk' misschien, zoals ze op straat zeggen. Want, net als in die doemboeken gebeurde, te snel weggeredeneerd van hoe de meeste mensen zelf hun bestaan ervaren, namelijk als iets waarin dromen en verlangens en het al dan niet uitkomen ervan uiterst persoonlijk dienen te worden opgevat.

Al die abstracties, ik weet het niet. Een van mijn geheime helden is de jongen die begin jaren tachtig in hippe gelegenheden op een groepje pratende mensen placht af te stappen, één ervan bij revers of T-shirt pakte, en hem, terwijl hij bijna neus aan neus kwam, keihard toeschreeuwde: ,,Weet je wat JIJ moet doen? Jij moet gewoon je KOP HOUDEN!''

In de nagalm van mijn herinnering aan die schreeuw vormde zich uit de woorden van mijn vriend in Thailand, vermengd met de duidingen uit mijn zomerlectuur, steeds duidelijker het beeld van mensen die in een rivier van de ene ijsschots op de andere springen niet in paniek, helemaal niet, eerder opgewekt, of in ieder geval: gelijkmoedig.