De natuur vermaakt zich kostelijk

Plinius was een Romeinse officier, admiraal en advocaat, en een toonbeeld van leergierigheid. Hij schreef een 37-delige encyclopedie die zeventien eeuwen lang geraadpleegd werd. Planten en dieren, sterren en kunsten, zijn `Naturalis Historia' was allesomvattend, maar ook vermakelijk door de flaters.

Niets is heerlijker dan het aantreffen van ongerijmdheden, fabeltjes, bizarre gegevens of flaters in een oude encyclopedie. Er gaat troost van uit: we zijn niet alleen in onze feilbaarheid, er lopen meer gekken en domoren rond. Neem het beroemde naslagwerk Etymologiae dat bisschop Isidorus van Sevilla rond 630 van onze jaartelling publiceerde, waarin hij wolken omschreef als een vergadering der apostelen, en regen dientengevolge als Gods woord. Met zulke kennis heb je geen paraplu meer nodig. Er gaat nog iets anders van uit dat ronduit opbeurend is. Elke encyclopedist heeft een werkkracht die ook zijn lezers aansteekt in de strijd tegen de ledigheid. Onze eigen nationale naslagwerker Jacob Winkler Prins schreef in 1881, in zijn nawoord bij de eerste druk van zijn Geïllustreerde Encyclopaedie. Woordenboek voor Wetenschap en Kunst, Beschaving en Nijverheid: `Nooit ontbrak het mij aan opgewektheid om mij schier dag aan dag te bepalen bij deze taak.'

Die beide elementen (vermaak, torenhoog arbeidsethos) vinden we eveneens in een naslagwerk van zeer vroege datum, Plinius' Naturalis Historia. Een boek uit de eerste eeuw na Christus, dat diepe voren ploegde in de akker van ons weten. Zeventien eeuwen was het de vraagbaak bij uitstek, als het ging om hoe de wereld (macro, micro) in elkaar zat. Wie verwijst niet naar Plinius? Het kortste antwoord is: vrijwel iedereen. Onder wie Isidorus van Sevilla, Petrarca, Boccaccio, Erasmus, Swift of Multatuli. Columbus' zeereis richting de nieuwe wereld blijkt te zijn ingeblazen door wat Plinius zijn lezers daar aan goud- en zilvervoorraden beloofd had, de Franse criticus Sainte-Beuve las er halverwege de negentiende eeuw nog met veel genoegen in, de bioloog Cuvier noemde het in dezelfde jaren `een van de kostbaarste monumenten die we uit de Klassieke tijden hebben overgehouden.'

Als de verhalen kloppen die zijn jongere neef over hem vertelt, was Gaius Plinius Secundus (`de oudere') een onwaarschijnlijk harde werker. Hij diende als cavalerieofficier in Germanië, waar hij onder meer in het terpenland der Friezen vocht. `Een meelijwekkend volk woont daar op hoge aarden heuvels in hutten', zou hij later schrijven. `Als de zee over het land is gestroomd, zien ze eruit als zeevaarders. En ze lijken op schipbreukelingen als het water weer gezakt is.' Uit die periode stamt Plinius' eerste geschrift Over het speerwerpen van de cavalerie. Het ging hierna opwaarts met zijn carrière. We vinden hem in 67 na Christus terug als keizerlijk procurator in Spanje. Onder keizer Vespasianus bekleedde hij als gunsteling vele functies, naast een bloeiende praktijk als advocaat. Drie jaar later is de landrot Plinius plotseling admiraal van de Romeinse Middellandse-Zeevloot. Duidelijk een man met mogelijkheden. Naast dat alles schreef hij voorzover wij weten een biografie, een geschiedenis over de veldtochten tegen de Germanen, een handleiding voor de aankomende redenaar, een taalkundige verhandeling, de geschiedenis van Rome in de eeuw rond Christus en de imposante Naturalis Historia. Alleen het laatste werk werd overgeleverd.

Hoe verbluffend werkzaam Plinius Majors leven was mogen we opmaken uit wat neef Plinius Minor vertelt. Afgezien van het feit dat zijn oom nooit meer dan zeer korte uiltjes knapte – slechts tijdens de wezenlijk natte momenten bij het baden werkte Plinius Major niet –, bij het afdrogen dicteerde hij alweer aantekeningen uit zijn lectuur aan zijn secretaris. Tekenend. Ook bij de beruchte uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79 kon Plinius niet blijven stilzitten. De leergierige admiraal nam een van de schepen van zijn vloot en voer naar het rampgebied: `Het scheen iets belangrijks en iets wat van dichterbij moest worden bestudeerd, zoals vanzelfsprekend was voor een geleerd mens'. Eenmaal aan wal bij angstige kennissen krijgt Plinius slaap (zo heeft zijn neef later gehoord) en terwijl er een zware sintelregen valt, ligt de onvermoeibare encyclopedist luidruchtig te snurken – men moet hem wakker maken. Dat klinkt vreemd voor een zwoeger als hij. Wellicht was hij bedwelmd door vulkaangassen – volgens een artikel uit 2000 in het tijdschrift Annals of Internal Medecine is het goed mogelijk dat Plinius vanwege chronische bronchitis extra gevoelig was. Zijn legendarische snurken zou daar op kunnen wijzen. `Ik veronderstel,' schrijft ook zijn neef, `dat de erg dikke walm hem de adem benam en zijn luchtpijp blokkeerde, die bij hem van nature gevoelig en nauw was en regelmatig ontstoken.' Men vond hem drie dagen na zijn dood op het strand.

Ik zou graag hebben gelezen wat Plinius aan Vesuviaanse-waarnemingen had genoteerd. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat hij niet onmiddellijk aantekeningen had gemaakt, al op de weg er naartoe. Over notities die naast zijn overschot of in zijn binnenzak zijn aangetroffen is me niets bekend, maar we kunnen vaststellen dat de Naturalis Historia een onvoltooid werk is. Hoe Plinius' meesterwerk er fysiek uitzag is op goede gronden veronderstellen. De vertalers zeggen in hun nawoord dat ze aan een losbladig, strak op onderwerp ingedeeld kaartsysteem denken. Van de claim van Plinius dat hij tweeduizend boeken heeft gelezen voor zijn compilatie mogen we intussen een onsje afdoen, aldus de vertalers: `Er waren toen al op grote schaal verzamelingen uittreksels in omloop.' Of zelfs `uittreksels van uittreksels', en lang niet altijd even zorgvuldig of betrouwbaar.

Terug naar de ongerijmdheden, fabeltjes, bizarre gegevens of flaters in Plinius' Naturalis Historia. Wat bij voorbeeld te denken van de mededeling dat sommige vogels op hun rug vliegen? Wonderlijk, nooit gezien. Op Plinius' versie van het rendier zou ik graag eens met een handzaag afgaan: `Dit dier verschilt niet sterk van de eland, maar omdat hij zijn kniegewrichten niet kan buigen en daarom niet kan gaan liggen slaapt hij leunend tegen een boom. Als men deze inzaagt kan het dier op sluwe wijze gevangen worden.'

Het volk der Mondlozen dat Plinius rond de bron van de Ganges huisvest en dat slechts van geuren leeft is erg fantastisch, evenals de Sciapodae (`schaduwvoeters'). Dit zou een volk zijn dat op zulke grote voet leeft dat men ze als zonnescherm kan gebruiken.

Hoe rijk en verscheiden is de natuur volgens Plinius, en prachtig om te lezen.

Dat kan nu in een Nederlandse vertaling van Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters. Zevenhonderdenvijftig bladzijden Plinius. Niet het complete werk, maar een buitengewoon gulle keuze, voorzien van een zeer informatief nawoord en een uitgebreid (bijna tweehonderd bladzijden) apparaat dat registers, kaartjes en noten bevat.

Arbeid om de hoed voor af te nemen.

Natuurlijk is Naturalis Historia niet overal even boeiend. We hebben immers te maken met een encyclopedisch werk, een reusachtige compilatie van Romeinse kennis in zevenendertig boeken, en geen enkele encyclopedie is fascinerend van A-Z.

Plinius opent met een inleidende, zeer amicale brief aan Keizer Titus, met wie hij bevriend was. Dan volgt een overzicht van de stand van de kennis omtrent het heelal en de sterren. In Boek 3-6 behandelt hij de aardrijkskunde van de gehele toen bekende wereld, voornamelijk een (niet al te boeiende) opsomming. Boek 7 is gewijd aan antropologie, in 8 tot en met 11 registreert hij de stand van de dierkunde, in 12-19 die van de plantkunde. De boeken 20-32 zijn gewijd aan het gebruik dat de geneeskunde van planten en dieren maakt, 33-37 beschrijven de metalen, mineralen, stenen en hun gebruik in de geneeskunde, en bevatten vele meeslepende hoofdstukken over de geschiedenis der schone kunsten, een soort eiland in de tekst zou je tegenwoordig zeggen, cultuur in plaats van natuur.

Een dergelijk compendium van kennis over de wereld was geen nieuw genre. Plinius kon de kunst afkijken in Seneca's Questiones naturales, Celsus' Artes, Varro's Disciplinarum, Columella's De Re Rustica, of de medische encyclopedie van Dioscorides. Hij ging echter veel verder dan zijn voorgangers. In zijn inleiding zegt hij honderd auteurs te citeren, uit tweeduizend boeken, over niet minder dan twintigduizend onderwerpen. Plinius is ook een van de eersten die aan het eind van elk hoofdstuk zijn bronnen noemt, en zijn werk structureerde door middel van een zeer uitgebreide, beredeneerde inhoudsopgave. Hij heeft geprobeerd een wetenschappelijk naslagwerk van zijn boek te maken. Desalniettemin heeft men Plinius vaak een onkritische houding aangewreven. Misschien is dat al te zeer achteraf geoordeeld. Toen de tot op heden zeer gerespecteerde, achttiende-eeuwse classificator der natuur Linnaeus werd verteld dat er een zeemeermin was gevangen, was hij ook beslist geneigd dat te geloven, net zoals hij een aanhanger was van de theorie dat de zwaluw overwintert op de bodem van een meer. In de natuurlijke historie bestond het reservoir aan kennis, naast empirisch bevestigde gegevens, eeuwenlang uit boekenkennis die later nog bevestigd of weerlegd kon worden, maar niet bij voorbaat naar het rijk der fabelen werd verbannen. Je kon immers onmogelijk alles zelf controleren en bleef afhankelijk van door anderen verzamelde informatie. Dat was ten tijde van Plinius zo, en dat bleef zo tot en met de achttiende eeuw.

We kunnen het ons nauwelijks meer voorstellen, gezien de tegenwoordige omloopsnelheid van boek of wetenschap, maar het is zo: Plinius' encyclopedie bleef meer dan anderhalf millennium de vraagbaak op natuurhistorisch terrein. Pas met Buffon (1707-1788) in diens Histoire naturelle, générale et particulière verscheen een werk dat Plinius kon vervangen. Waar Plinius slechts inventariseerde wat zich in zijn eigen dagen op aarde en daarbuiten in lengte, breedte en hoogte bewoog, bracht Buffon met zijn geologische hoofdstukken als eerste de dimensie tijd in, de factor geschiedenis. Modern. Tegelijkertijd beging Buffon fouten die we ook bij Plinius vinden. Zijn beruchte ideeën over `degeneratie' in Amerika, waar een kouder klimaat tot kleinere, tragere, minder intelligente dieren (en mensen) zou leiden, kwamen tot stand op basis van eenzelfde gebrekkige informatie als waarop Plinius' schaduwvoeters berusten.

`Voor de meeste feiten kan ik niet instaan,' zegt de laatste trouwens ook zelf. `Liever leg ik de verantwoordelijkheid bij mijn bronnen, waarnaar ik in geval van twijfel zal verwijzen.' Vandaar het herhaaldelijk gebruik van `zegt men', `wordt gerapporteerd', et cetera. We zien de compilator aan het werk, de boekstaver die een zin als de volgende noteert: `Van de [in Afrika levende] Blemmyers zegt men dat hun hoofd ontbreekt, mond en ogen zijn bij hen in de borst aangebracht.'

Tegelijkertijd probeert Plinius op heel veel plaatsen zo goed en kwaad dat gaat zijn gegevens te toetsen. Waaraan? Aan zijn gezond verstand, zou je zeggen. Vaak is dat ook zo. We moeten ons echter realiseren dat het gezonde verstand van Plinius anders werkt dan dat van ons. Zo protesteert hij niet bij voorbaat tegen de mededeling dat een smeerseltje van kakkerlakken voorwerpen die in het lichaam zijn gedrongen eruit trekt. Voor Plinius valt dit echter nog binnen het vakgebied van de geneesmiddelen die de natuur heeft geschonken aan de mens, een van zijn favoriete onderwerpen in zijn Naturalis Historia – hij wijdt er niet minder dan twaalf boeken aan, éénderde van het totaal.

Er zit een propagandistische kant aan deze encyclopedie. Plinius was de leer toegedaan van de Stoïcijnen, die niet veel moesten hebben van het geloof in magie dat in die dagen bij velen leefde. `Ik heb al bij herhaling de leugens van de magiërs aan de kaak gesteld,' zo schrijft hij, `en ik zal ze ook in het vervolg onthullen.' Naturalis Historia is naast alles wat het nog meer is, óók een traktaat tegen de magie. De mens kan de natuur niet beïnvloeden via bezweringen en toverspreuken. Het is de Natuur die geeft, de Natuur neemt, iets anders dan Natuur is er niet. Het is de goddelijke macht. De natuur heeft bedoelingen, vecht met zichzelf (donder, bliksem), ijlt heen en weer (wind), wenst niets zonder tegenpool te laten bestaan, de natuur werkt volgens harmonische wetten, die haar dwingen met zichzelf in proportie te zijn. Een aardige anekdote betreft de strijd tussen een enorme wurgslang en een olifant. De slang valt aan om te eten, de olifant sterft, valt en verplettert de slang, die vervolgens het leven laat: `Wie zou een andere reden voor zo'n vreselijke strijd kunnen aanvoeren dan dat de natuur als een schouwspel voor zichzelf twee gelijkwaardige tegenstanders samenbrengt?' Ook de bizarre verschijningsvormen van het menselijk ras die Plinius noteert vallen in dit kader: de vindingrijke natuur schiep ze om zichzelf te vermaken.

Soms treffen we een zeer geërgerde Plinius aan, heel sympathiek. Bij voorbeeld waar het om ijdelheid gaat – begrijpelijk voor een man die zo hard werkt voor 't nut van het algemeen. In dat verband is hij `tegen' de piramiden, die hij als uiting van ijdelheid beschouwt. IJdelheid leidt daarbij tot misbruik van de natuur: `Hoe dienstbaar is de natuur de mens niet bij al zijn luxe genoegens, bij al zijn beledigende ingrepen. We storten haar in zee, of vreten haar aan om de golven doorgang te verlenen. Met water, ijzer, vuur, hout, steen en gewassen wordt zij alle uren van de dag gepijnigd, en dat alles veel meer om haar te knechten voor onze pleziertjes dan voor ons voedsel. Niettemin, wat ze te verduren heeft aan haar oppervlakte en de buitenkant van haar huid, dat lijkt nog dragelijk, maar wij dringen ook door in haar ingewanden, wroetend naar de aders van goud en zilver, naar mijnen van koper en lood, ook edelstenen en bepaalde minuscule kiezels sporen we op door diepe tunnels in haar te boren. Haar ingewanden trekken wij naar buiten om een edelsteen te dragen aan dezelfde vinger waarmee die is gezocht.'

Plinius besluit deze tirade met een fraaie zin, die moet bewijzen dat er geen andere wereld is dan die waarin wij leven: `Als er echt ergens een onderwereld bestond, dan hadden die mijngangen van onze hebzucht en hang naar weelde hem beslist al lang blootgelegd.'

Niets is heerlijker dan het aantreffen van ongerijmdheden, fabeltjes, bizarre gegevens of flaters in een oude encyclopedie. Maar wie Plinius leest, ziet vooral een monument van encyclopedische kennis opdoemen, en daarachter een auteur bij wie je je heel klein gaat voelen. Een stichtende ervaring.

Plinius: De wereld. Naturalis Historia. Vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 899 blz. €49,95