Boekjes vol vertrouwen

De Duitse Amerikaan Eric Carle is de vader van `Rupsje Nooitgenoeg'. ,,Dat is wat ik vertel: ik was ook klein en stelde niets voor.''

Voor het vijftigste jubileum van de Nederlandse Kinderboekenweek maakte hij een feestprentenboek.

ric Carle wilde altijd tekenen, maar het duurde veertig jaar voordat hij zijn vorm had gevonden en er al zijn tijd aan kon besteden. Het waarom wist hij al veel langer: ,,Als ik had leren rekenen met muizen die twee aan twee op je tafel klimmen, in plaats van stom leren dat twee plus twee vier is, dan was mijn school misschien minder vervelend geweest.''

Eric Carle bouwt op papier een brug tussen huis en school, zegt hij. Zijn `literatuur voor nog-niet-lezers' is intussen in 35 talen vertaald. Hij moet een feilloos geheugen hebben voor wat hij als kind zag en dacht en voelde.

De nu 75-jarige schrijver en kunstenaar schudt het hoofd. We zitten in zijn museum, het `Eric Carle Museum of Picture Book Art' in Amherst, Massachusetts, een helder, rustig en tegelijk vrolijk gebouw vol kinderverhalen. ,,Ik weet niet wat andere mensen over hun jeugd weten. Ik schijn er gevoel voor te hebben, al herinner ik me weinig concrete voorvallen.''

Van zijn Rupsje Nooitgenoeg wordt iedere minuut ergens in de wereld een exemplaar verkocht, totnogtoe twintig miljoen. Dat hielp hem om in 2002 het museum te openen dat over zijn kunst gaat, let wel, niet over hem en lang niet alleen over zijn tientallen boeken. Er is nu toevallig een tentoonstelling ter gelegenheid van zijn jubileum: vijfendertig jaar geleden brak hij door met het rupsje dat een prachtige vlinder werd.

,,Ik ben als vader nooit een goede verhalenverteller geweest'', bekent Carle. Zijn dochter is 46, zijn zoon 44. Toen zij een jaar of tien waren ging hij boeken maken voor kinderen die bezig zijn de sprong te maken naar de abstracte buitenwereld. Hij wilde hen boeien én vertrouwen geven. Zijn tweede geheime doel was dat kinderen er iets van konden opsteken.

Zijn diepste motief om De Knappe Kniptor, De Luiaard die niet lui was, Hallo, Rode Vos!, De Kakelbonte Kameleon, en al die andere boeken te maken blijft zijn eigen plezier. Hij zit al weer vol plannen voor na Vader Zeepaard, het prentenboek ter ere van vijftig jaar Nederlandse Kinderboekenweek. In een kartonnen doos in zijn atelier bewaart hij van stevig papier gevouwen boekjes met schetsen en tekstflarden. Hij zit er eindeloos aan te knutselen, maakt steeds andere versies, bedenkt geluidjes, verrassingen voor een volgende pagina, tot het klopt. Dan sluit hij zich op en gaat een week, twee weken tekeer om het echt te maken, tot het af is.

In zijn museum wordt hij meer dan eens staande gehouden door moeders met kleine kinderen. ,,Bent u Eric Carle? U heeft mijn jeugd veranderd. Dat geef ik nu door aan mijn kinderen.'' Georganiseerde lof? De meest verstokte cynicus moet zich gewonnen geven als hetzelfde tafereel zich herhaalt op straat in Northampton – een halfuurtje rijden van het museum – waar Carle werkt.

Daar is de werkplaats waar het allemaal gebeurt. In een prettige, hoge zaal schildert hij op lange tafels vellen papier met kleuren en abstracte patronen. In grote, platte laden bewaart hij duizenden van die vellen, effen of met verschillende kleuren, met strepen, kronkellijntjes, stippen, golfjes en rondjes. Ze zouden prachtig uitkomen in een lijst aan de muur, of verkocht kunnen worden als het meest prachtige pakpapier. Maar hij bewaart de vellen, op kleur gesorteerd, om er af en toe een stukje af te scheuren waarmee hij zijn getekende illustraties kleur geeft. Die geverfde snippers vormen de grondstof van zijn collages.

Immigranten

Eric Carle werd in 1929 geboren in Syracuse, in het noorden van de staat New York, als zoon van Duitse immigranten. Zijn vader Erich Carle was in Duitsland opgeleid tot gemeenteambtenaar, maar de depressie, de politieke onrust en de voedselrantsoenering deden hem een aantal familieleden achterna reizen die eerder naar de Verenigde Staten waren uitgeweken. Twee jaar later volgde Johanna, vader Erichs vriendinnetje, die later Erics moeder werd.

In zijn nieuwe vaderland spoot zijn vader tien jaar wasmachines met witte verf om aan de kost te komen. Eric Carle herinnert zich de wandelingen door de natuur waarbij zijn vader alles liet zien van de vogels en de vissen, de insecten, de kikkers en de mierenkoningin die haar vleugels afbeet. Erics moeder had heimwee en in 1935 verhuisde het jonge gezin terug naar Duitsland.

Het was niet zo'n handige beslissing. ,,Ze waren politiek naïef of a-politiek. Ik weet het niet zeker. Zij beseften hun vergissing maar leerden ermee leven. Mijn vader werkte bij de gemeente Stuttgart toen de oorlog uitbrak. Op de eerste dag werd hij gemobiliseerd.''

Voor Eric was het strikte Duitse onderwijs een ramp. In Syracuse werd zijn tekentalent onderkend, in Duitsland was de school klein en donker. ,,Mijn leraar was een verschrikkelijke frik. De derde dag had hij me al met een lat op de vingers getikt. Van die dag af wilde ik niets meer weten van school, tot ik zestien was en naar de tekenacademie mocht.''

Toen hij een jaar of tien, twaalf was – Carle weet het niet meer precies – kreeg hij een bijzondere tekenleraar. ,,Ik haatte de school nog steeds, maar ik leefde op bij de tekenles. Die leraar zei: `Ik moet je realisme bijbrengen, maar je hebt een erg losse stijl. Officieel kan ik dat niet accepteren, maar ik hou er van.' Hij liet me werk zien van de Duitse Expressionisten, van Picasso en Klee. Ik mocht het niemand vertellen, het was `gedegenereerde kunst'. Die leraar was een socialist. Herr Krauss had zelf gestudeerd bij bekende Expressionisten. Klee is altijd een van mijn favorieten gebleven. Die leraar raadde me aan bij Ernst Schneidler op Akademie der Bildende Kunste in Stuttgart te gaan studeren.''

Pas drie jaar na afloop van de oorlog kwam Carle's vader terug. Hij was door de Russen aan het oostfront gevangen genomen en had in krijgsgevangenschap malaria en levercyrrhose opgelopen door de honger. Hij is er uiteindelijk aan gestorven. Eric Carle: ,,Hij is nooit meer dezelfde geworden. En ik was, eerlijk gezegd, ook veranderd. Ik had op de academie grafische kunsten gestudeerd: fotograferen, etsen, boekbinden, vormgeving, schilderen. Ik was als kleine stadsjongen in contact gekomen met leeftijdgenoten uit het hele land. Ik had een compleet nieuwe kijk op het leven gekregen.''

Grootvader

Carle herinnert zich hoe zijn grootvader, die de vaderrol enigszins had overgenomen, hem destijds ingenieur wilde laten worden en in de fabriek wilde halen. Vrije kunstenaar worden was ondenkbaar. Een opleiding toegepaste kunst was het maximaal toelaatbare. En een ideale voorbereiding voor de grote sprong terug naar zijn vroegste jeugd: Amerika.

,,Toen we net in Duitsland waren, vroeg ik mijn ouders steeds: wanneer gaan we weer naar huis? Daarmee bedoelde ik Syracuse. Ik wilde een brug bouwen van Duitsland naar Amerika. Dat was geen Amerikaans nationalisme. Meer het terugverlangen naar de tijd dat mijn ouders een jong, gelukkig stel waren, met aardige vrienden. Dat veranderde toen we in Duitsland waren. Er waren ruzies – we woonden in een groot familiehuis. Het hele systeem was onderdrukkend en vol regels. Toen mijn vader uit Rusland terugkwam, was alles anders. Mijn ma had al die jaren alleen geleefd. Ze waren uit elkaar gegroeid, dat lijkt me vrij begrijpelijk.''

Zo gauw hij kon wegkomen waagde Eric Carle de sprong naar New York, in 1952. Door zijn geboorte in de Verenigde Staten bezat hij de Amerikaanse nationaliteit. Hij was 23 en kon voorlopig logeren bij een broer van zijn vader, een loodgieter in de Bronx. Hij had geen professionele contacten, maar zijn tante had op een reclamebureau gewerkt. Daar werd hem aangeraden om naar de jaarlijkse art directors-beurs te gaan. Zo vond hij werk op de reclameafdeling van The New York Times, waar hij folders en reclame voor de krant hielp ontwerpen.

Na zes maanden werd hij opgeroepen voor militaire dienst en werd uitgezonden naar Duitsland, het laatste waar hij op zat te wachten. Maar hij sprak de taal. Carle maakte zich nuttig door brieven te schrijven voor collega's en superieuren die kinderen wilden adopteren of zich in de nesten hadden gewerkt met maîtresses. Hij ontwierp posters die de Duitsers moesten laten zien dat Amerika meer was dan kauwgum en misdaad.

Terug in New York werkte hij nog twee jaar bij The New York Times vóór hij overstapte naar een reclamebureau dat gespecialiseerd was in de farmaceutische industrie. Hij klom op, maar hij raakte steeds verder verwijderd van het tekenwerk waar het hem om begonnen was. Dat verlangen deed hem besluiten voor zichzelf te beginnen. Toen de bekende kinderboekenschrijver Bill Martin hem vroeg de illustraties te maken voor Beertje Bruin, wat zie je daar? (1967) greep hij die kans.

Het succes gaf hem de moed verder te gaan, nu zelfstandig. Hij bleef nog kookboeken, tv-reclame en boekomslagen doen. Het betekende niet veel voor hem, zegt hij, het was `om de huur te betalen'. Carle werkte zo veel mogelijk aan zijn kinderboeken. Toen hij op een dag lunchte met de redacteur van een nu niet meer bestaande New Yorkse uitgeverij dwaalde het gesprek van het kookboek waarover het zou gaan af naar het boekje 1, 2, 3 to the Zoo dat hij net voltooid had.

De redacteur, Anne Beneduce, werd de drijvende kracht achter Carle's succes. Zij was het ook die essentieel tegenspel gaf bij zijn tweede boek. Het had A week with Willy the Wurm zullen heten. Carle had gespeeld met een perforator waarmee hij gaatjes in een schetsboekje had zitten prikken. Dat deed hem aan een boekenwurm denken. Beneduce was er niet zo tuk op. `Wat vind je van een rups', vroeg zij? Carle: `Daar komt een vlinder uit!'

En zo gebeurde het.

The Very Hungry Caterpillar sloeg in Amerika niet direct aan. Duitsland hapte eerder. De Amerikaanse uitgeverij ging meer dan eens op in grotere bedrijven, met wisselende aandacht voor Carle's boekjes. Pas na drie jaar ging Rupsje Nooitgenoeg in Amerika lopen. De rest is geschiedenis. Beneduce richtte uiteindelijk haar eigen kinderboekenuitgeverij op, Philomel, die tegenwoordig onderdeel is van Penguin Young Readers Group. Zij zorgde ervoor dat ieder Eric Carle-boek `iets extra's' bevat: het tastbare spinnenweb van De Spin die het te druk had keek hij af van visitekaartjes, de lichtjes in Het eenzame Vuurvliegje moesten branden. Voor een boekje-in-de-maak zoekt Carle het in de hifi-muziek – meer mag ik er niet over verklappen. Uit de samenwerking zijn 65 miljoen verkochte boeken en boekjes voortgekomen.

Wat is zijn eigen verklaring voor het succes van deze bedrieglijk eenvoudige boekjes? Carle: ,,Ik ben tot de conclusie gekomen dat het te maken moet hebben met de hoop die zij geven. Kinderen groeien op met vragen, eindeloze vragen. Zoals: `Zal ik de wereld aankunnen? Zal ik de verzekering kunnen betalen? Zal ik een gezin hebben? Zal ik het redden?' Uit het rupsje komt aan het eind een prachtige vlinder tevoorschijn, die zijn talenten én zijn vleugels uitvouwt. Toch begon hij als een onooglijk insect. Dat is wat ik vertel: ik was ook klein en stelde niets voor, ik wist zeker dat ik nooit groot zou worden, ik zou nooit kunnen wat grote mensen kunnen. Dat is misschien het geheim van dat boek.''

Jean Arp

Eric Carle is in zijn element als hij aanwijst en vertelt in zijn atelier. Overal staan modellen van toneeldecors, volgroeide sculpturen, twee-aan-twee ingelijste schilderingen, kunstwerken die hij net niet afdoet als probeersels. Toch zouden de driedimensionale werken zich thuisvoelen in de werelden van Naum Gabo en Jean Arp, terwijl zijn schilderingen verwantschap vertonen met de ingehouden kleurenkracht van Diebenkorn.

In het Eric Carle Museum hangt een zijden sculptuur Red, White and Blue van de naamgever. Carle stelt zijn overig beeldend werk zelden of nooit ten toon. Waarom niet? Hij haalt zijn schouders op. Alsof hij zijn wereldnaam met prentenboeken niet wil riskeren met beeldende kunst die heel goed is, maar dat niveau niet haalt. Maar de decors en kostuums voor de productie van Die Zauberflöte (The Springfield Symphony, 2001) vragen in ieder geval om erkenning van Carle's aanzienlijke talenten buiten het prentenboek maken om.

In een kast staat de uitpuilende Doos met Ideeën. De graal van Carle. Bij het laten zien van die schoenendoos straalt hij meer dan bij enig ander object in zijn werkplaats. ,,Het idee krijgen is het moeilijkste. Als dat er eenmaal is, moet ik het verfijnen en passend maken voor een boek – zoiets kan jaren duren. Als ik tevreden ben, ga ik aan de slag. Soms vliegt er dan zo uit, van omslag tot laatste pagina. Rupsje Nooitgenoeg was in een week af. Dat is heerlijk. Soms is het een lijdensweg. Slowly, slowly (2002) heb ik twee keer helemaal opnieuw gemaakt. Het beviel me niet. Bij de derde keer lukte het. Het mooiste idee van de wereld is de volgende dag soms minder dan niets. Ik zwaai heen en weer tussen pijn en plezier. Daar is niets aan te doen.''

Eric Carle: `Vader Zeepaard', vertaald en berijmd door Ivo de Wijs, is een uitgave ter gelegenheid van de Gouden Kinderboekenweek. Verkrijgbaar vanaf 6 oktober in de boekwinkel voor €2,50. Inl.: www.kinderboekenweek.nl

Voor alles over Eric Carle: www.eric-carle.com.

Over het `Eric Carle Museum Of Picture Book Art': www.picturebookart.org

Bijlage Boeken: bespreking van `Vader Zeepaard'