Alle doeken moeten wringen

Schilders kunnen niet over hun werk praten, aldus het cliché. Daarom doen kunsthistorici hun zegje over hen. De net verschenen bundel `Verf' onthult dat dóórvragen wel degelijk loont. ,,Ik wil schilderen zoals Fred Astaire danste.''

,,Exacter kan ik het niet benoemen en dat is natuurlijk ook het aardige van beeldende kunst'', zegt de schilder Co Westerik aan het einde van het interview dat Hans den Hartog Jager met hem hield. ,,Ik bedoel: als ik het wel zou kunnen benoemen, zou ik als schilder tekortschieten.'' Een paar bladzijden verderop zegt Armando: ,,Precies kan ik het niet zeggen, want als ik het kon verwoorden hoefde ik het niet te maken.''

Ziehier de moeilijkheid van praten over kunst. Je kijkt met je ogen, niet met je mond. Schilders drukken zich in beelden uit en het cliché wil dan ook dat zij kijkers zijn, geen praters. Met dat misverstand maakt Hans den Hartog Jager, schrijver en freelance-journalist, in zijn interviewbundel Verf korte metten. Hij ging bij veertien vooraanstaande Nederlandse schilders op atelierbezoek en als zij verzuchtten dat hun werk eigenlijk niet onder woorden te brengen viel, knikte hij en vroeg gewoon door. En terecht. Want behalve met je ogen kijk je ook altijd met je verstand. Bijna alle goede schilders zijn intelligente mensen en als zodanig in staat om – eventueel na enig aandringen – te vertellen wat ze doen, hoe ze het doen en waarom ze het op die manier doen. Misschien levert dat minder scherpgeslepen volzinnen op dan er uit een romanschrijver of cabaretier komen, maar daar staat tegenover dat schilders vaak beeldender, beschrijvender praten.

Dood

Blijft de vraag: waarom zou je ze aan het woord willen laten, als ze zelf liever aan het beeld gelaten worden? Omdat er in kranten, tijdschriften en catalogi nu eenmaal tekst bij de plaatjes moet en de auteurs van die tekst zich vaak weinig gelegen laten liggen aan de bedoelingen en werkwijze van de kunstenaar. Tegen de tijd dat kunsthistorici zich afvragen wat een schilder zelf eigenlijk over zijn werk te zeggen heeft, is hij meestal al dood. Brieven zijn over het algemeen schaars.

Het belang van interviews met kunstenaars – hoezeer ze soms verbaal ook tekortschieten – is dus dat ze de kunsthistorische bronnen van de toekomst zijn. Wat niet wil zeggen dat Den Hartog Jagers vraaggesprekken voorlopig ongelezen kunnen blijven, want Verf is nu al heel plezierige en verhelderende lectuur. Robert Zandvliet vertelt hoe hij voor een pas voltooid schilderij zat en zich afvroeg aan welke schilder het hem nu toch deed denken. ,,Alle namen van kunstenaars, alle voorbeelden schoten door mijn hoofd... Toen besefte ik: dit lijkt op niemand – en dus kon het wel eens van mezelf zijn.'' Michael Raedecker zegt dat hij wil schilderen zoals Fred Astaire danste: onnavolgbaar goed, maar met een gezicht alsof iedereen het kan.

Het aardige van de bundel als geheel is dat de verschillende geïnterviewden elkaar onbedoeld bijvallen, aanvullen of tegenspreken. Zo blijkt dat de ambachtelijke kant van het schildersvak, waar Den Hartog Jager steeds gretig naar informeert, op de meeste academies al lang niet meer wordt onderwezen. Westerik, een van de oudste schilders in het boek, beklaagt zich er al over. ,,Dus ik ben met een paar klasgenoten op zoek gegaan naar de technieken van die oude meesters.'' Ook Zandvliet, de jongste geïnterviewde, is in zijn academietijd ,,met een paar medestudenten onderzoek naar verf gaan doen. We bestelden pigmenten en maakten onze eigen verf''.

Een ander terugkerend onderwerp is het gebruik van foto's. In veel ateliers treft de interviewer foto's uit kranten en tijdschriften aan. Bij Marc Mulders liggen ze er ,,niet om na te schilderen, maar als `sfeermaker' zeg maar.'' Anderen ontlenen de voorstelling in hun schilderijen wél direct aan foto's, maar haasten zich daarbij te verklaren dat ze die foto's niet klakkeloos naschilderen. ,,Daar ben ik niet in geïnteresseerd,'' zegt Michael Raedecker, ,,ik simplificeer ze, zoek naar hun essentie.'' Marlene Dumas legt uit: ,,Juist in de transformatie van foto naar schilderij ontdek ik vaak nieuwe dingen.''

Kunst moet wringen, heet het voorts in alle toonaarden. ,,Ongemak, dat is goed'', meent Rob Birza. Marc Mulders waardeert in Rembrandt ,,die combinatie van opbouwen en verminken''. ,,Ik hou van rauwheid en ruigheid'', zegt Charlotte Schleiffert, wijzend op wat ze noemt een lousy geschilderde meloen. Als Den Hartog Jager vraagt of ze die bewust slecht schildert of het gewoon niet anders kan, reageert ze verontwaardigd. ,,Ik kan alles perfect tekenen als ik wil, helemaal mooi op de klassieke manier. Maar dat is toch niet interessant! [...] Het is toch veel spannender om zo'n lullige meloen te schilderen dan een hele goeie meloen?'' Dit is een interview op zijn mooist: door haar uitspraken portretteert de ondervraagde zichzelf. Verder commentaar van de interviewer is niet nodig.

Vogelzand

Nog interessanter dan de overeenkomsten zijn de verschillen. Constant wijst op een doek en zegt: ,,Met die lucht bijvoorbeeld was het in één keer raak. Dat was het eerste wat ik schilderde op dat doek en daar ben ik sindsdien niet meer aangekomen.'' Meteen al in het volgende interview waarschuwt Co Westerik juist voor ,,het te lang koesteren van een bepaald stuk. Dan heb ik lekker geschilderd, dat stuk staat er mooi op. [...] En dan langzaam, in de loop van weken dringt het tot me door dat juist dat ene lekkere stuk de voortgang van de rest ophoudt.'' Armando vertelt dat hij vogelzand door zijn zwarte verf mengt, want ,,zonder zand is het zwart zo gladjes. Mét zand vind ik het mooi stug.'' Volgens Rob van Koningsbruggen daarentegen zijn er ,,maar weinig goede schilderijen met zand, ze gaan allemaal de mist in. Verf is objectief, het zand blijft een materie in zichzelf, het wordt de baas over je schilderijen.''

Waar Robert Zandvliet beweert dat een portret alleen maar uit twee ogen, een neus en een mond bestaat, en dat je die drie elementen natuurlijk wel op duizend manieren kunt schilderen maar dat het toch heel beperkt blijft, daar is het jammer dat er in de bundel geen gesprek is opgenomen met een goede hedendaagse portrettist als Arie Schippers, die kan uitleggen wat er met zo'n gezicht allemaal mogelijk is. Dat brengt me bij mijn enige punt van kritiek op het boek: de selectie schilders waar Den Hartog Jager zijn interviewtalent op heeft losgelaten is weinig verrassend. Als Rob Birza vertelt dat hij het schilderen in eitempera heeft geleerd van zijn generatiegenoot Olphaert den Otter, waarom is de auteur dan niet bij die schilder langs gegaan? Tegenover alle schilders die naar foto's werken had ik graag iemand als Harold Schouten zien vertellen hoe hij door alleen maar te kijken en te schilderen greep op stromend water probeert te krijgen. En als het Den Hartog Jager er inderdaad om te doen was, `een zo breed mogelijk beeld' te geven van hoe er anno nu in Nederland geschilderd wordt, dan had hij eigenlijk zelfs een goede Groningse realist als Matthijs Röling over diens schildertechniek moeten ondervragen.

Schippers, Den Otter, Schouten en Röling zijn totaal verschillende schilders, die met elkaar gemeen hebben dat ze zich grotendeels buiten het officiële circuit bewegen. Was Den Hartog Jager als interviewer ook uit dat circuit gebroken, dan had dat een nog grotere verscheidenheid aan verhalen en opvattingen opgeleverd dan Verf nu al bevat.

Hans den Hartog Jager: Verf. Hedendaagse Nederlandse schilders over hun werk. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 204 blz. €24,95

Van 3 oktober tot 28 november is in de Stadsgalerij Heerlen de door Hans den Hartog Jager samengestelde tentoonstelling `Verf' te zien. Tel. 045–5772210. www.stadsgalerijheerlen.nl