Achter China's façade

Het is de grootste volksverhuizing in de wereldgeschiedenis: de trek van Chinese boeren naar de grote steden. Zelfs volgens de voorzichtigste schattingen zijn de cijfers verbluffend. Vóór 2020 zullen minstens 300 miljoen plattelanders op zoek zijn gegaan naar een beter leven in de stad.

Toch dringen de verhalen over deze massale migratie van ongeschoolde boeren maar mondjesmaat door in de westerse media. We zijn eerder gefascineerd door het moderne China, dat juist afgerekend lijkt te hebben met het boerenverleden uit het Mao-tijdperk. Bewijzen te over: een Chinese astronaut in de ruimte, een Formule-1 circuit in Shanghai, en in de literatuur aantrekkelijke meiden die – bekend met het idioom van Sex and The City – vertellen over hun eigen avontuurtjes in kosmopolitisch Shenzhen of Beijing.

Een stad van boeren van Floris-Jan van Luyn – voormalig correspondent van NRC Handelsblad in China – is op die verhalen een welkome aanvulling. In een reeks interessante reportages portretteert Van Luyn de gelukszoekers die het armoedige Chinese platteland vaarwel zeggen. Hoe vergaat het hen in de grote stad? En hoe kijken de achterblijvers hier tegenaan?

Succesverhalen levert die trek niet op. De een werkt lange dagen in een fabriek voor een mager loon. Een ander wroet door het stinkende afval van de grotestadsbewoners. Een meisje dat kapster wil worden, krijgt te verstaan dat ze alle wensen van haar klanten moet inwilligen. Ook als ze met haar naar bed willen. Vrijwel alle migranten worden uitgebuit, buitengesloten en uitgekotst door de oorspronkelijke stedelingen. Bouwvakkers krijgen vaak maanden geen loon uitbetaald, en wie zijn kinderen in de stad naar school wil sturen moet enorme bedragen smeergeld betalen.

Wanneer Van Luyn met de migranten terugreist naar hun afgelegen dorpjes – over onverharde wegen en modderige paadjes – wordt duidelijk waarom ze zoveel vernederingen voor lief nemen. Daar is helemaal geen uitzicht op een beter leven. Inhalige ambtenaren leggen de ene na de andere willekeurige belasting op en steken subsidies, bedoeld voor verbeteringen, schaamteloos in eigen zak. Zo wordt langzaam een wrang beeld zichtbaar. Het zijn de migranten die het vuile werk opknappen waar de stedelingen geen zin in hebben. Zij bouwen de wolkenkrabbers, vliegvelden en autosnelwegen van het moderne China. Maar de kans dat de bijbehorende Chinese droom van een onbekommerd middenklassebestaan voor hen ooit uitkomt is vrijwel nihil.

Bijna onvoorstelbaar is dat de migranten blijven dromen. Een jongen die om zes uur 's ochtends al broodjes staat te stomen, droomt van een eigen restaurant. Een hoerenmadam besteedt het grootste deel van haar inkomen aan het collegegeld van haar zoon. Ze hoopt dan maar dat hij de sprong naar de middenklasse kan maken.

Van Luyn legt deze tegenstelling tussen droom en realiteit – en de daarmee samenhangende kans op maatschappelijke onrust – met kennis van zaken vast. Hij stelt zich op als een nauwkeurig observerende buitenstaander en maakt zich als schrijver zo onzichtbaar mogelijk. Dat levert heldere analyses op. Toch zou je willen dat hij die objectieve journalistenrol wat vaker af zou werpen. De enkele passages waarin hij zich permitteert vanuit zijn persoonlijke ervaringen te vertellen, zijn de meest levendige van het boek.

Floris-Jan van Luyn: Een stad van boeren. Prometheus, 240 blz. €21,95