Ach, Brodsky is weer terug

,,Ik denk dat ik dit boek net op tijd af heb'', zei Gerrit Krol deze zomer in deze krant over Rondo veneziano, de roman die hij toen net had voltooid. De 70-jarige schrijver lijdt aan de ziekte van Parkinson en liet doorschemeren te vrezen dat dit zijn laatste roman zou zijn. Niet dat hij zich bij die gedachte had neergelegd; hij sprak in hetzelfde interview over `een echt autobiografisch boek over de jaren zestig' dat hij zou willen schrijven.

Hier en daar staan in het nu verschenen Rondo veneziano inderdaad oppervlakkige verwijzingen naar een neurologische aandoening, zoals het moment waarop de ik-figuur, de briljante wiskundige Jan Pipper, zich van alles niet meer weet te herinneren over het boek dat de schrijver Multatuli beroemd maakte: `Lauriergracht 37, maar hoe heette nou de hoofdpersoon? Niet Sjaalmans. Iets als Haveloos, maar ik kon er niet op komen.' Maar dat maakt het boek nog geen ziektegeschiedenis, want Krol stipt in Rondo veneziano veel meer zaken aan: de geschiedenis van de natuurwetenschappen, de metafysische omwenteling uit Houellebecqs Elementaire deeltjes; de liefde voor jongere (en oudere) vrouwen; het verband tussen status en bedrog, Giotto, Tintoretto en de Venetiaanse kerken, schoonheid, waarheid en hun eigen Wet van Boyle, de dreiging van de islam en een gefragmenteerde fenomenologie van de congresseks. Maar dat zijn niet de hoofdthema's van het boek: dat zijn een wiskundig probleem, het Vermoeden van Riemann, en onsterfelijkheid. En dat laatste is moeilijk los te zien van Krols ziekte.

Rondo veneziano speelt zich af gedurende twee weken in Padua en Venetië waar de hoofdpersoon Pipper te gast is op een wetenschappelijk congres. Hij voelt zich een buitenbeentje, omdat hij als enige geen dr. voor zijn naam heeft. Zijn academische bul heeft hij decennia eerder meegepikt van het bureau van een hoogleraar in Göttingen. Sindsdien heeft hij vragen over zijn opleiding adequaat weten te ontlopen. Pipper is in Italië met de veel jongere Vicky, de dochter van overleden vrienden, die zich vermaakt met kerkbezoek, fotografie en een Estse botanicus. Zij voelt zich soms `een heerlijke lellebel'.

Er zijn twintig sprekers voor het congres, waarvan enkelen uit de dood zijn herrezen, zoals E.J. Dijksterhuis en Joseph Brodsky. Er is ook nog sprake van een proefopstelling waarin Newton tot leven wordt gewekt. De levenden op het congres is het om onsterfelijkheid te doen. Pipper is vooral geïnteresseerd in Brodsky, ook al omdat dichters het makkelijkst tot onsterfelijke regels komen. Op een avond begeleidt hij Brodsky naar diens graf, wat hem één concrete, zij het mysterieuze tip voor een leven na de dood oplevert: `Beter is het vlak voor uw dood flink wat ijzer in te nemen.'

Stamboom

De lezer krijgt uitvoerig verslag van de lezingen, wat een wisselend genoegen is – zoals ook een bezoek aan een groot wetenschappelijk congres dat voor de meeste bezoekers zal zijn. De ene spreker is inspirerend, en komt met een pagina's voortgaande, bijbels aandoende stamboom van wetenschappers (`Pythagoras dan leerde Anaximander en zij beiden leerden Euxodus en Empedocles. Deze leerde Aristoteles [...]'). Andere episoden (over James Watt en de stoommachine) zijn eerder wetenswaardigheden voor propedeuse-studenten natuurkunde. Af en toe doet slaagt Krol erin tot opmerkelijk oninteressante observaties te komen, zoals in een passage over de overerving van het jodendom (`Dat een nazaatregeling zich baseert op het vrouwelijke ritme is volkomen begrijpelijk'). Die is bovendien letterlijk terug te vinden in een van de columns die hij bundelde in Laatst met een vrouw. Daar staan veel boeiende passages tegenover. En, om een dialoogje uit het boek aan te halen: `,,O niets. U bent boeiend.'' Dat noemde ze niets'

Een boeiende man, inderdaad. Gaandeweg de roman blijkt Pipper weliswaar ongediplomeerd, maar zeker niet statusloos. Niet alleen wordt hij door een mooie Italiaanse vrouw opgepikt om een fruitmachine te kraken – met succes – ook zijn mede-congresgangers zijn van hem onder de indruk. Dat hangt samen met het verhaal dat Pipper het (werkelijk bestaande) Vermoeden van Riemann bewezen zou hebben. Dit wiskundige probleem – over, kort gezegd, een functie waarvan alle nulpunten op een rechte lijn liggen – geldt al anderhalve eeuw als onoplosbaar. Pipper zelf lijkt zich zijn bewijs echter niet te kunnen herinneren.

Aanvankelijk zou Pipper spreken op de slotdag van de conferentie, maar hij heeft ook een andere opdracht: het schrijven van een roman over het congres. Die komt ook even ter sprake tussen hem en Vicky en waarin zij een glorieus einde aan het verhaal vraagt en hem oproept `geen loser' te zijn (zie kader).

Zijn slotlezing zal Pipper niet meer kunnen houden: het snel stijgende water in Venetië jaagt de congresgangers naar het vasteland. Pipper en Vicky gaan via Verona en Göttingen op huis aan, waarbij de roman een bizarre apotheose krijgt. Daarin ontdekt Pipper dat hij ondanks zijn gestolen bul wel degelijk recht heeft op onsterfelijke roem, wordt de liefde van Vicky en Pipper bezegeld en krijgt de hoofdpersoon tenslotte een visioen waarin hij de Riemann-hypothese falsifieert. Dat laatste gebeurt in een scène die veel van een hemelvaart weg heeft.

Metafoor

Eigenlijk is dat allemaal wat veel van het goede, misschien voelde Krol zijn voeten inderdaad al nat worden door het stijgende water in zijn eigen bestaan – snel het droge op, snel naar hogere regionen. Dat die metafoor niet uit de lucht komt vallen blijkt uit twee andere Krol-titels die net zijn verschenen.

In de eerste plaats is er de heruitgave van De rokken van Joy Scheepmaker, in de mooie debuten-reeks van uitgeverij Conserve. Die tamelijk traditionele novelle uit 1961 verschilt hemelsbreed van Rondo venaziano, maar er zijn overeenkomsten, al zitten er kleinigheden bij. Zo heeft de directheid van de in dat boek begeerde Scheepmaker wel iets van die van Vicky uit de laatste roman en deelt hoofdpersoon Kraus Koster een paar voorkeuren met Jan Pipper (tonic, kamperend studeren).

Maar er is ook een overeenkomst die triviaal lijkt, maar dat niet is. Ook in De rokken van Joy Scheepmaker krijgt de hoofdpersoon natte voeten wanneer hij over een drassige bodem loopt tijdens een kampeerverblijf op de hei. En als hij melk wil halen bij een fabriek, staat de hal daar blank. Dat dat geen toevallige overeenkomsten zijn, blijkt uit de nieuwe bundel columns Laatst met een vrouw (de ondertitel `kortebaankampioen' is overdreven). Daarin zegt Krol iets over wat lopen over water voor hem betekent, of als kind betekende: `Zo heb ik een tijd gedacht dat ik een Messias was [...] en dat Jezus Christus een ernstige concurrent aan mij zou hebben [...] Dat ik niet op water wandelen kon, maar gewoon, als ik het 's probeerde, zonk als een baksteen, net als iedereen – dat verbaasde me, meer dan dat ik was overtuigd.' Wie dus méér wil moet omhóóg, weg van al dat water.

In dezelfde column zegt Krol iets over schrijven, wat hij vergelijkt met het schieten met pijl en boog: `Meestal schiet je ernaast, faliekant mis. je rent naar de afgeschoten pijl, die trillend staat in het hout. Je tekent er een roos omheen en de lezer zegt bewonderend: ,,Hoe krijgt hij het voor elkaar.''' Gewoon doen of je raak schiet, óók als het mis is.

Waarmee we weer terug zijn bij de aansporing aan Pipper om van zichzelf `geen loser' te maken in Rondo veneziano. Je moet als winnaar uit de strijd komen, of anders als de winnaar poseren. En een schrijver kán altijd doen alsof, wat Krol terloops aangeeft in de heruitgave van De rokken van Joy Scheepmaker. De `loodzware finale' van die roman heeft hij herschreven met een `lichte toets', het boek eindigt nu in relatief zorgeloze verliefdheid. Net als Rondo veneziano dus. Daarin komt dat hooggestemde einde als gezegd een beetje uit de lucht vallen, maar er zijn nu eenmaal momenten waarop een mens haast moet maken – ook met een boek over onsterfelijkheid.

Gerrit Krol: Rondo veneziano. Querido, 262 blz. €16,95 Gerrit Krol: De rokken van Joy Scheepmaker. Conserve, 78 blz. €20,40 Gerrit Krol: Laatst met een vrouw. Kortebaankampioen. Querido, 224 blz. €19,95