Ik vind dat... ...het Studiehuis een gekkenhuis is

In mijn 37 jaar in het onderwijs heb ik heel wat vernieuwingsgolven meegemaakt, met alle bijbehorende tegenstrijdigheden en verwarring. Zo werd in 1993 de Basisvorming met een reeks kerndoelen ingevoerd; onlangs is die basisvorming weer afgeschaft. In 1998 kregen we de Tweede Fase met het `Studiehuis'.

De Studiehuis-aanpak heeft de professionele identiteit, toewijding en persoonlijke betrokkenheid van docenten ondermijnd. Het idee was veel te idealistisch. Leerlingen moesten zelfstandig leren op de computer en via invuloefeningen in werkboeken. Maar in de praktijk is de leerling afhankelijk geworden van studiewijzers, van opgeleukte en liefst thematische werkboeken en van volledig dichtgespijkerde toetsen. De eigen inhoudelijke en creatieve bijdrage van de docent en van de leerling werd daardoor gereduceerd. Iedere goede onderwijzer weet dat het kennisniveau daalt als je minder inspanning vraagt, als je persoonlijke betrokkenheid negeert en als de `need for affection, control and inclusion' bij leerlingen afneemt.

Het fraaie opvoedingsideaal van hogerhand blijkt in de praktijk te botsen met de koopmansmentaliteit van calculerende minimumlijders die hun werk niet op tijd of op het allerlaatst inleveren en afspraken niet nakomen, van free riders die anderen het werk laten opknappen en van te veel leerlingen die `gaan voor' de 5,5.

De docenten zitten tussen Scylla en Charybdis. Ouders zien de leraar niet meer als een autoriteit, maar als een dienstverlener die vooral meer aandacht moet geven aan hun fantastische kind. Bij elk conflictje tussen leraar en kind, ook als regels zijn overtreden en een straf is toegepast, gaan te veel ouders blindelings achter hun kind staan. Het liefst komen zij direct op school verhaal halen. De verhoudingen zijn in de loop der tijden verhard.

Het gevaar van het Studiehuis, dat leerlingen wil `leren leren', schuilt in de pretenties en de te hooggespannen verwachtingen. Bovendien is in de Tweede Fase een oneigenlijke tegenstelling geschapen tussen frontaal onderwijs (lees: passief, saai, geestdodend) en zelfstandig projectgericht werken (lees: actief, dynamisch, surfen op internet). Hier doemt het spook van `leukheid' op. Laat men toch erkennen dat voor de grote meerderheid school/studie niet top of the bill is van leukheid, maar behoort tot de categorie plichten. Aan een plicht wil je je niet per se onttrekken, zeker niet als er het prijskaartje van een cijfer aan hangt en je er heus wel het nut en belang van inziet. Maar dan moet het werk voldoende worden gecontroleerd door de docent en niet oeverloos uitdijen door opdrachten als `Lever over een maand je werkstuk in'.

Op school heeft een leerling tien of twaalf vakken. De meeste daarvan mogen zich niet koesteren in zijn warme, persoonlijke interesse en intrinsieke motivatie. En wij docenten maar met z'n allen ons vak `opleuken' en `gezellig' maken. Ik ben niet tegen variatie in werkvormen, maar die werkvormen moeten interessant zijn, intellectueel en/of emotioneel uitdagend, kennis en inzicht bevorderend en/of probleemoplossend. Dat is wat anders dan `leuk'. Ik ben een voorstander van persoonlijke betrokkenheid van leerlingen. Dat is soms/vaak niet `leuk'. Ik besef echter ook dat je hiermee een groot maatschappelijk probleem blootlegt, dat je als school en docent niet eventjes oplost.

Scholen en docenten: wees niet bang in uw eisen van kennis, inzicht en vaardigheden voor elitair en in uw pedagogisch concept moreel voor `streng' te worden versleten. Het voorkomt veel verbale en fysieke agressie en veel puinhopen.

W.M. van der Veur was tot zijn pensionering deze zomer docent Nederlands en CKV1 (cultureel kunstzinnige vorming) in Ede.