Hoop en vrees over de factor China

De wereldeconomie maakt haar beste periode in drie decennia door, stelt het IMF in zijn jaarlijkse voorspelling. Maar de factor China is daarbij hoogst ongewis.

5 procent economische groei wereldwijd. Dat is lange tijd niet voorgekomen – om precies te zijn sinds begin jaren zeventig een periode van ongekende voorspoed werd gesmoord in een plas peperdure olie. Raghuram Rajan, de topeconoom van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), was gisteren in Washington dan ook zeer rooskleurig over de verdere vooruitzichten. Zelfs met een hogere prijs van ruwe olie kan er volgend jaar nog steeds 4,3 procent economische groei in zitten. En ook dat is beter dan de wereldeconomie normaal presteert.

Toch zitten er de nodige adders onder het gras. Economen mogen dan steeds verfijndere modellen hanteren voor hun prognoses op de korte termijn, geen van hen heeft ervaring met de belangrijkste ontwikkeling die zich op dit moment voordoet: de razendsnelle en allesoverheersende opkomst van China. Een economie met zo'n 1,2 miljard mensen die tussen de 7 en 9 procent per jaar groeit.

Het woord `China' wordt dan ook geschreven op vrijwel elk opmerkelijk fenomeen van 2004. Waarom is de olieprijs zo hoog? Omdat de marginale vraag – dat deel van de vraag dat de prijs daadwerkelijk beïnvloedt – beheerst wordt door China. Waarom is de staalprijs onbetaalbaar, en klagen zelfs autofabrikanten in het westen steen en been over hun oplopende productiekosten? Antwoord: vraag uit de Chinese industrie en niet te vergeten de bouwsector.

Waarom loopt de inflatie tot dusverre nauwelijks op, bij de stijgende olieprijzen en een wereldwijd aanzwellend economisch herstel? Wéér China, waar de productiekosten zo laag zijn dat het zijn eigen deflatie naar het westen en de omringende Aziatische economieën exporteert. En, om er nog maar een te noemen, waarom is de Amerikaanse obligatierente maar 4 procent, terwijl de economische groei boven de 4 procent ligt, het begrotingstekort ook, en de geldmarktrente langzaamaan wordt verhoogd? Daar zijn veel antwoorden op mogelijk, maar een ervan is China. Dat hoopt dermate grote deviezenreserves op, dat het zich heeft ontwikkeld tot een van de belangrijkste buitenlandse kopers van Amerikaanse staatsobligaties. China's aankopen houden de prijs van die obligaties op peil, en dus hun effectieve rente laag.

China maakt als lid van de internationale economische samenleving forse vorderingen. Het neemt al 6 procent van de wereldhandel voor zijn rekening, een verdrievoudiging ten opzichte van nog maar tien jaar geleden. Morgen zal, bij een bijeenkomst van de ministers van Financiën en de centrale bankiers van de zeven grootste industrielanden, China voor het eerst als gast zitting hebben. Het onderstreept de groeiende Chinese rol.

Maar bij de stijgende status van China hoort ook een toenemende verantwoordelijkheid. De rest van de wereld maakt zich de laatste tijd enige zorgen over het voortdurende hoge tempo van de Chinese expansie. Dat komt niet alleen door het effect daarvan op de grondstoffenprijzen. Gevreesd wordt dat overinvesteringen en een golf van geld binnen het wankele Chinese bancaire systeem uiteindelijk kunnen leiden tot een `harde landing', waarbij de economie en financiën van de nieuwe grootmacht rake klappen oplopen.

Liever een `zachte landing' waarbij de groei wat afneemt naar een procent of 7 per jaar, dan een uit de hand lopend China dat vervolgens pijnlijk instort. De Azië-crisis van 1998 ligt nog vers in het geheugen van westerse bedrijven en bankiers, en daar bleef China nog buiten. Wat zou er gebeuren als het land nu zelf het middelpunt zou worden van een nieuwe crisis?

Het IMF stelt in zijn World Economic Outlook dat China er al eerder in is geslaagd een uit de hand lopende economie te bedwingen. Dat was in de periode 1992-1996, toen een razendsnelle groei van 14 procent gecontroleerd werd ingedamd. Tekenen van zo'n zachte landing zijn er nu nog steeds niet.

Rajan vroeg zich gisteren af of er überhaupt wel sprake was van het vooruitzicht van welk soort landing dan ook. Het IMF voorziet voor China een economische groei van 9 procent dit jaar, die afzwakt naar 7,5 procent volgend jaar. Maar dat is voor een deel het wensdenken van de zachte landing. Hetzelfde geldt voor de Chinese inflatie, die nu is opgelopen tot 4 procent, maar volgend jaar zakt naar 3 procent.

Stel dat in plaats daarvan de sprint van China gewoon verdergaat, en eindigt in een harde landing? Azië wordt dan het hardst geraakt. Voor elke 10 procent die de Chinese import van consumptiegoederen afneemt, verliest Japan 0,5 procentpunt economische groei, en de Aziatische industrielanden 0,6 procentpunt. Dat is fors, maar te doen, stelt het IMF. Westerse industrielanden hebben daar minder last van. Grondstoffenprijzen zouden bijvoorbeeld dalen, en dat is weer gunstig.

De berekening laat echter allerlei indirecte effecten achterwege. Wat als China stopt met het kopen van Amerikaans schatkistpapier? Of wat gebeurt er als het financiële systeem instort? En wat als hetzelfde in een dominoreactie gebeurt bij China's Aziatische handelspartners? En: wat als de koers van de Chinese munt in zou storten in plaats van een in het westen zo gewenste revaluatie?

Het antwoord: er is te weinig bekend over China's daadwerkelijke invloed op het wereldsysteem om daar uitspraken over te kunnen doen. Met de groeiende onderlinge verbondenheid van economieën en de vloed van directe buitenlandse investeringen in China is het systeem misschien wel te complex geworden om zich te laten doorgronden. Om maar te zwijgen van de kwaliteit van de binnenlandse statistieken.

Wat te doen als we het echt niet weten? Hopen. Hopen op een zachte landing, zonder al te veel gevolgen. Het is aan de Chinese autoriteiten om dat te realiseren.

    • Maarten Schinkel