Beschadigd

Opnieuw zien we een lichtengel vallen. Deze keer is het Joep van den Nieuwenhuyzen, ooit een jonge, begenadigde en gevierde bedrijvendokter, die als bij toverslag gezond kon maken wat kwijnde en aan stervende ondernemingen het leven teruggaf. Nu hij valt, zien wij het beeld van een duistere manipulator, een middelbare graaier die uit is op eigen gewin en zijn ondergang wijt aan iedereen behalve zichzelf. Bij Ahold verliet anderhalf jaar geleden de kort tevoren nog gelauwerde top in pek en veren het toneel, en bij Numico vloog de bestuursvoorzitter eruit na het mislukken van een te stratosferische ambitie. Het rijtje is gemakkelijk uit te breiden. Wat is het toch dat ons ertoe brengt stervelingen bovenmenselijk te verheerlijken en vervolgens met leedvermaak te zien neerstorten? En wat doet dat met de engelen, voor hun val en erna?

Dag in dag uit worden wij geconfronteerd met beelden van perfectie. Perfecte lichamen op bushokjesposters, perfecte carrières en strategieën in de business glossy's, perfecte huizen en interieurs in de woonglansbladen. Het is kunstmatig. Voor die 1/1.000 seconde sluitertijd dat alles volmaakt was, de belichting, de glimlach, de achtergrond, zijn vaak tientallen mensen uren of dagen in de weer geweest om het zo te krijgen. Het cameraoog sluit zich en alles wordt weer normaal: rommelig, chagrijnig of gezellig of wat dan ook, maar beslist niet meer perfect. Het probleem voor ons is dat die vluchtige, synthetische perfectie ons wel de hele tijd aanstaart in onze publieke ruimtes en in de bladen die we lezen. De gedachte dringt zich zo op – en dat is natuurlijk ook de bedoeling – dat perfectie zo hoort, dat het normaal is, en dat er bij ons van alles aan mankeert.

Mijn opa, die in 1956 stierf, had een bochel. Gewoon van het werken. Als je 60 jaar boer bent en elke dag balen stro van 20 kilo op een vork omhoogsteekt of zware kisten aardappels versjouwt, dan loop je daar beschadigingen van op. Zo ging dat, het hoorde erbij. Hij was er niet minder om bij de boeren in de buurt; hij was gewoon iemand die hard gewerkt had, net als iedereen, en dat kon je zien. Iedereen had wel wat of mankeerde iets. Ik vraag me af of opa ooit oog in oog met perfectie heeft gestaan, en met het eeuwige tekortgevoel dat dat met zich meebrengt voor mensen die ook voor en na de sluitertijd leven. Wat hij wel gekend heeft, denk ik, is voldoening. Voldoening over de oogst op zijn akker, over gezonde koeien in zijn stal. Natuurlijk waren er ook voor hem dingen die beter konden, maar die waren niet onbereikbaar ver weg. Het was het land van boer A, waar de ploegvoren rechter lagen dan bij hem, of het erf van boer B dat op zaterdagmiddag zo mooi aangeharkt was. Dat was bereikbare schoonheid; als hij zijn best deed was het er voor hem ook. Perfectie was voor de hemel, waar hij in geloofde; voor hier was voldoening voldoende.

Wij hebben ons laten aanpraten dat perfectie de norm is. Wie niet perfect is heeft een probleem en daar moet iets aan worden gedaan door iets aan te schaffen, een groter huis, een strakkere huid of een spannender partner. Intussen zijn we toeschouwer bij geknakte carrières en gevallen idolen, en het stelt ons gerust. Het neemt voor eventjes de druk van de volmaaktheidsdwang weg. Wanneer de goden struikelen, hebben wij onvolmaakten even respijt.

Ik heb laatst een reis gemaakt naar Afrika. Rijdend door de wildparken viel het me op hoe zeer beschadigd-zijn daar de norm is. Zebra's met grote littekens op de flank, ontsnapt aan een luipaard. Bomen die vrijwel helemaal zijn ontschorst door narrige olifanten. Zelfs leeuwen met kapotte oren, gescheurd in het gevecht. Intussen las ik over rituelen en stamgewoonten. Zoals besnijdenis, wat wijd en zijd schijnt voor te komen. Zou dat iets te maken hebben met perfectie en beschadigd-zijn? Speelt daar de gedachte in mee dat het niet aangaat ongeschonden te zijn, en dat je pas deel hebt aan het leven als je gekrast en gekerfd bent? Als je het vanuit dit perspectief beziet, dan kunnen tegenslagen een inwijding zijn – een inwijding in en door het leven zelf.

Ik moet denken aan Joep en andere gevallen engelen. En aan Allerd Stikker, die ooit topman was van RSV, het scheepsbouwconcern dat in de jaren zeventig spectaculair ten onder ging. Als een paria werd hij uit de kringen van topbestuurders verstoten. Jaren later zei hij dat het het beste was wat hem was overkomen. Zijn echec en zijn ballingschap werden de aanzet tot een nieuw bewustzijn, waarin succes en falen hun absolute betekenis verloren en beide werden tot levensbouwstenen. Daarbij had hij de moed om naar buiten te treden en zijn verhaal te doen, als steun in de rug voor de ontelbare anderen die op de een of andere manier na het bereiken van een top, hoe hoog of laag ook, de weg naar beneden hebben te gaan.

Neergaan is normaal, zelfbenoemde of op een sokkel geplaatste halfgoden worden er weer mens van. ,,Kijk, iedereen is een deel van zijn leven bezig zich een identiteit op te bouwen, met huis, gezin, clubs, carrière – alle dingen en relaties waaraan je met allerlei touwtjes vastzit en die bepalen wie je lijkt te zijn'', zei een vriend me laatst. ,,Maar uiteindelijk eindigt iedereen op zijn sterfbed, en dan telt alleen de vraag welke innerlijke waarde je uit die uiterlijke dingen hebt gedestilleerd. Het goede leven bestaat voor een deel uit verwerven, en voor een deel uit sorteren, integreren en teruggeven. De goede verdeling is misschien 50/50, misschien 90/10. Maar als pas op je sterfbed alle touwtjes ineens worden losgerukt – dat is doodsstrijd.''

Ik zou wensen dat Joep en Cees en Michiel en Hans en Ole en Walter en nog talloze anderen ooit vaststellen dat ze door hun schipbreuk meer mens zijn geworden dan blijvend succes ze had opgeleverd. En dat ze zullen vertellen over de waarde van hun krassen en butsen. Voor Joep is er een mooie aanleiding: RDM, de onderneming waar hij zich nu aan stoot, is de voortzetting van een deel van Stikkers RSV. Duikboten leveren mogen ze niet, maar levenslessen voor hoogvliegers zijn er kennelijk nog steeds in de aanbieding.

    • Johan Schaberg