Schermerhorn en Bush (Gerectificeerd)

Een internationale conferentie over Irak, in het Midden-Oosten, met een aantal buurlanden, Syrië en Iran, en ook China erbij, dit alles om de beloofde verkiezingen in januari goed te laten verlopen. Dat wil de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Powell, om zoals hij zondag zei, het verkiezingsproces een grotere legitimiteit te geven, de dissidenten aan te moedigen eraan deel te nemen, en te voorkomen dat de buurlanden zich ermee gaan bemoeien.

Het ziet eruit als het begin van een goed plan. Tegelijkertijd tonen Powells argumenten, hoe treurig het er op het ogenblik uitziet. Want ten eerste hebben verkiezingen geen legitimiteit als ze worden gehouden in een land waar een mengsel van burgeroorlog, terreur en verzet tegen de bezetter het openbare leven bepaalt. Daar valt niet vrij te kiezen en gekozen te worden. Ten tweede zullen `dissidenten' zich er dan voor hoeden, hun medewerking te geven aan een vertoning die `verkiezingen' wordt genoemd. En ten slotte hebben onder zulke omstandigheden buurlanden altijd en overal een belang bij wat er aan de andere kant van de grens gebeurt. In het Midden-Oosten is dat nog veel sterker het geval.

Het is het begin van een goed plan. Frankrijk heeft laten weten wat er aan de agenda ontbreekt. Er moet ook worden gesproken over het terugtrekken van de Amerikanen, en het verzet moet op de conferentie kunnen meepraten. Dat aan de militaire aanwezigheid hoe dan ook een termijn moet worden gesteld, is geen revolutionair denkbeeld meer.

Al veel langer wordt in kringen van conservatieve denkers het belang van deze oorlog gerelativeerd. Desnoods kan Amerika zich met zijn geweldige macht een halve nederlaag in Irak veroorloven, schreef Morton Abramowitz al driekwart jaar geleden. Henry Kissinger vindt in het grote geopolitieke wereldbeeld Irak tenslotte van ondergeschikt belang. Nu heeft minister van Defensie Rumsfeld van deze en dergelijke theoretische inzichten de praktische consequentie getrokken, door te zeggen dat de Amerikaanse soldaten niet zullen blijven ,,tot het land perfect is'. Viervijfde of driekwart is ook al goed. Het publiek dat met de beelden van shock and awe en the end of major operations in de totale overwinning had geloofd, begint nu aan de nieuwe werkelijkheid te wennen. Het praten over terugtrekken van de troepen op een internationale conferentie wordt niet meer door een taboe getroffen.

Maar het verzet uit te nodigen voor zo'n bijeenkomst is op het ogenblik nog iets anders. Om te beginnen: wat is het verzet? Tot dusver weet het grote publiek in Amerika niet anders dan dat alle verzet bestaat uit bandieten, tuig, terroristen, volgelingen van Osama bin Laden of Aboe Moesab al-Zarqawi. Het verzet werkt met autobommen, het gijzelt, het onthoofdt en stuurt de videobanden met die beestachtigheden de wereld in.

Praten met die mensen, op een grote internationale conferentie, is sowieso al uitgesloten, en des te meer nog als de Fransen dat willen. Zo redeneert in Amerika de aanhang van de president. Dit betekent dat een conferentie waaraan vertegenwoordigers van welk Irakees verzet dan ook zouden deelnemen (en daarmee Frankrijk) vóór 2 november, de dag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, uitgesloten is.

Is er `respectabel' verzet, waarmee wel kan worden onderhandeld? In dit opzicht, bij deze vraag doet de situatie van de Amerikanen in Irak denken aan die van de Nederlanders in Indonesië, meer dan een halve eeuw geleden. Nederland wilde daar ,,de democratie brengen', volgens de plannen die in Den Haag waren bedacht en die met behulp van Nederlandse soldaten moesten worden uitgevoerd. Indonesiërs onder leiding van Soekarno hadden andere denkbeelden. Die werden in Den Haag afgekeurd. Er ontstond gewapend verzet, van Indonesiërs die hier ,,de extremisten' werden genoemd. Onze eerste naoorlogse premier, ir. W. Schermerhorn, een vreedzaam man, was van mening dat het centrum van dit extremisme, ,,de pesthaard Djokja moest worden uitgeroeid'. Soekarno werd gearresteerd, en na vier jaar vechten de eerste Indonesische president. Soortgelijke avonturen zijn de Fransen in Indo-China en Algerije overkomen.

De vraag onder zulke oorlogsomstandigheden is niet of het verzet `respectabel' is, maar hoe krachtig en hoe diepgeworteld in de bevolking. En daaruit voortvloeiend, tot op welke hoogte, hoe lang de publieke opinie van de bevrijder/opvoeder/bezetter bereid is, een oeverloze, uitzichtloze oorlog te steunen. In Nederland heeft het toen vier jaar geduurd, voordat we met internationale hulp, onder internationale druk uit de moeilijkheden werden geholpen. Hier houdt de vergelijking met Irak op.

Na de onthullingen over de mishandelingen in de Abu Ghraib-gevangenis, met de oorlog dagelijks voor de deur en omstreeks 14.000 burgerslachtoffers, is meer dan 80 procent van de Irakezen, van welke stam of welk volksdeel dan ook, tegen de bezetting. Zeventien maanden na het einde van de major operations is het verzet gegroeid tot een georganiseerde, formidabele vijand. Die wordt door een groot deel van het volk gesteund, en die heeft natuurlijk zijn leiders.

Zij zijn de mensen met wie moet worden onderhandeld; die moeten straks in Amman of Kairo met het grote internationale gezelschap aan de conferentietafel zitten. Hoe sneller dat gebeurt, hoe eerder de Amerikanen naar huis kunnen. En dat Irak dan nog geen voorbeeldige democratie zal zijn, is door minister Rumsfeld al voorspeld.

Rectificatie

Schermerhorn en Bush

In zijn column Schermerhorn en Bush (29 september, pagina 7) maakt H.J.A. Hofland melding van de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Met de naam Schermerhorn is de totstandkoming van het akkoord van Linggadjati verbonden en niet het uit Djokja gevankelijk afvoeren van Soekarno en de zijnen. Dat vond plaats tijdens de Tweede Politionele Actie, waarop in het bijzonder de toenmalige Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon L.J.M. Beel heeft aangedrongen. Schermerhorn was toen al van het Indische politieke toneel verdwenen.

    • H.J.A. Hofland