Gezinsvoogd krijgt nu te veel op zijn bord

Door de dood van de driejarige Savanna, die onlangs in de woning van haar moeder in Alphen aan den Rijn om het leven werd gebracht, is de discussie over de kwaliteit van de jeugdzorg opgelaaid. C. de Groot betoogt dat het wettelijke systeem medeschuldig is.

Enige jaren geleden is in het burgerlijk recht de maatregel ondertoezichtstelling van kinderen gewijzigd. Het beleid zou voortaan geheel door en onder verantwoordelijkheid van de jeugdhulpverlening gedaan moeten worden, terwijl de kinderrechter zich alleen met rechtspraak zou bezighouden, dus beslissen of er al of niet een ondertoezichtstelling moet komen.

Scheiding der machten. Op het eerste gezicht lijkt dat prima en zo is het dan ook geregeld. Maar daardoor is wel de specifieke aard van het kinderbeschermingsrecht en de problematiek miskend. De bedoeling was om de (rechts)positie van ouder en kind te verbeteren, maar het tegendeel is in de praktijk bewaarheid geworden.

Tijdens de ondertoezichtstelling ontstaan namelijk allerlei vragen en conflicten tussen ouders, gezinsvoogd, kind, pleeggezin, kinderhuis enz., die om een beslissing vragen.

Vroeger konden al deze partijen zich zonder drempel tot de kinderrechter wenden, die dan partijen ad hoc hoorde, besliste en het beleid op het betreffende punt voor de toekomst uitzette. De kinderrechter besliste op het eerste signaal, de hulpverlening kon voort en de kinderrechter zat op deze wijze dicht op de zaken, waardoor ook gevaarsituaties eerder konden worden onderkend.

In het huidige systeem komt alles op de nek van de gezinsvoogd en dat is niet te doen. De kinderrechters hebben daar destijds vanuit hun ervaring ook voor gewaarschuwd, maar de te simpele opvatting over de scheiding der machten heeft het gewonnen.

Zo liep vroeger een uithuisplaatsing en een eventuele terugplaatsing steevast via de kinderrechter. Nu moet een gezinsvoogd beginnen met bij de ouders aan te kaarten, dat hij een uithuisplaatsing nodig vindt (klus 1), vervolgens op de rechtbankzitting dat standpunt tegenover de ouders, die veelal dat standpunt niet delen of niet snappen, verdedigen (klus 2) , daarna het claimgedrag van ouders in verband met dringend verlangde terugkeer hanteren (klus 3) en naast deze boemanfunctie ook nog samenwerken met de ouders, kind en andere betrokkenen (klus 4). En daarnaast nog bezuinigen, maar dat is weer een andere onmogelijke klus.

De kinderrechter vervulde eertijds in al deze stadia op afroep van een bij de zaak betrokkene een rol: hij deelde de slecht-nieuwsboodschappen uit en liet duidelijk uitkomen dat deze voor zijn verantwoordelijkheid waren en gaf de gezinsvoogd opdracht deze namens de kinderrechter uit te voeren.

Aldus hield hij ook de gezinsvoogd uit de wind en de ouder kon bij de gezinsvoogd, die hij als vertrouwenspersoon kon blijven zien, nabrommen.

In het huidige systeem wordt van de gezinsvoogd systematisch niet alleen te veel gevraagd maar dat vindt ook vaak de ongewenste uitweg, dat een ondertoezichtstelling automatisch de neiging krijgt vooral te gaan afhangen van coöperatie van de gezinsvoogd met de ouders.

Bij een terugplaatsing van een kind naar de ouders zit nu de kinderrechter er dus niet meer als buffer tussen. Die buffer is ook geen 100 procent garantie, maar wel structureel beter.

Het huidige systeem heeft in de praktijk als effect gesorteerd dat er met name bij de jongste kinderen later dan noodzakelijk uithuisplaatsing volgt en dat ook weer eerder wordt bewilligd in terugplaatsing in het oorspronkelijk gezin. Het gevaar voor kindermishandeling is aldus door het systeem structureel toegenomen.

Er is dus alles voor te zeggen, dat voor elke terugplaatsing of ook overplaatsing naar een ander pleeggezin een machtiging van de kinderrechter is vereist. Dat zou trouwens niet alleen voor onder toezicht gestelde kinderen weer wettelijk moeten worden ingevoerd, maar evenzeer voor kinderen die uit huis geplaatst zijn in het kader van de zogenoemde vrijwillige hulpverlening, want daar is het probleem identiek.

Het bovenstaande behoeft overigens niet zozeer door de Inspectie te worden uitgezocht. In oktober 2000 is een evaluatierapport over de veranderde wetgeving over ondertoezichtstelling verschenen, `Met recht onder toezicht gesteld', waarin deze wetswijziging al is voorgesteld.

Men behoeft dus niet te doen alsof we pas gaan nadenken, als zich een ernstig voorval voordoet. Dat denken was al gebeurd. Het wetsvoorstel is alleen nog niet ingediend.

Mr. C. de Groot is vice-president/kinderrechter van de arrondissementsrechtbank Rotterdam.

    • C. de Groot