Door Europa meer medicijnen in Nederland

De geneesmiddelenmarkt `europeaniseert'. Daarmee komen middelen op de markt die experts hier liever niet willen hebben. Deel 2 van een tweeluik.

Slikt u wel eens een Viagra-pil? Of bent u diabetespatiënt die gebruik maakt van het middel Avandia? Toegegeven, het gaat om zeer verschillende medicijnen, maar ze hebben één overeenkomst: niet de Nederlandse overheid maar een agentschap van de EU zorgt ervoor dat u deze middelen kunt gebruiken.

Over enkele maanden wordt de lijst van medicijnen waarover het agentschap moet oordelen, flink langer. Er komen middelen tegen onder meer aids en kanker bij, ziekten waarvan het Europees Parlement vond dat ze een Europese aanpak vragen. Daarmee wordt de Nederlandse medicijnenmarkt een beetje Europeser – en Barbara van Zwieten een beetje belangrijker.

Een keer per maand neemt deze 54-jarige farmacoloog, werkzaam bij het College ter beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) in Den Haag, het vliegtuig van Rotterdam Airport naar London City Airport. Daar reist zij met de blauwe shuttle-bus naar Canary Wharf, een chic zakencentrum waar het Europees Medicijnen Agentschap zetelt. Samen met agentschappen uit de 24 andere EU-lidstaten oordeelt ze over aanvragen van de farmaceutische industrie voor registratie.

Van Zwieten geldt als een gezaghebbend lid, zo verzekeren ambtenaren op het Europees Agentschap. Managers van de Europese organisatie spreken met eerbied over haar. Van Zwieten draait als een van de weinige nationale experts sinds de oprichting van het agentschap in 1995 in het beoordelingssysteem mee. Bovendien is het Nederlandse CBG een van de organisaties binnen Europa die zich het langst bezighouden met beoordeling van medicijnen.

Des te pijnlijker is het daarom dat Van Zwieten een enkele keer het onderspit moet delven in het wetenschappelijk comité dat de aanvragen beoordeelt. Dan blijkt een meerderheid van haar collega's haar strenge oordeel over bijvoorbeeld bijwerkingen of de betekenis van proeven bij de testgroep niet te steunen. En dus komt er een middel Nederland binnen dat Nederland liever niet had gehad. Zo belandde enkele jaren geleden het medicijn Rivastagmine (tegen een milde vorm van Alzheimer) op de Nederlandse markt. Hetzelfde geldt voor het middel Memantine – eveneens tegen Alzheimer – dat even later volgde.

Van Zwieten beziet dergelijke gebeurtenissen met nuance, zo blijkt tijdens een gesprek op het CBG in de binnenstad van Den Haag. Natuurlijk botsen binnen zo'n comité de verschillende culturen soms, zegt ze. ,,Nederlanders kijken sterk naar de kwaliteit van leven, getuige bijvoorbeeld onze euthanasiewetgeving. Daarom is Nederland van nature zeer kritisch op bijvoorbeeld bijwerkingen van medicijnen. Anderen zijn gevoeliger voor verlenging van de levensduur, en willen sneller hoop bieden aan patiënten. Anderzijds betekent het feit dat een middel in Nederland wordt toegelaten, niet meteen dat het door de verzekeraar wordt vergoed.'' Daardoor komt het niet op ruime schaal verschikbaar.

Daarnaast vindt Van Zwieten het nadeel – als ze het al zo wil noemen – om soms overruled te worden, ruim opwegen tegen de voordelen van de Europese aanpak. ,,Aan patiënten is echt niet uit te leggen dat een middel dat het in België goed doet, in Nederland verboden is'', zegt ze. ,,En voor de farmaceutische industrie is de Europese markt natuurlijk heel interessant. Bovendien kunnen zogeheten `weesgeneesmiddelen', waarvan weinig patiënten gebruik maken, nu gemakkelijker ontwikkeld worden.''

Ondertussen denkt Van Zwieten niet dat haar eigen nationale organisatie door de europeanisering overbodig wordt. De nationale agentschappen leveren immers juist de expertise waarop Europese organisaties zoals het medicijnenagentschap drijft. Bovendien kunnen bedrijven er ook nog voor kiezen om slechts in een paar Europese landen hun product te laten registreren in plaats van binnen de hele EU. Dat levert agentschappen als dat van Van Zwieten veel werk op. Beide organisaties – zowel haar eigen agentschap als het Europese agentschap in Londen – zijn de laatste tien jaar dan ook gegroeid.

Daarmee onderstrepen ze de stelling van de Amerikaanse Europa-expert Joseph Weiler dat het helemaal verkeerd is om de verhouding tussen de Europese Unie en de lidstaten als een zero-sum game te zien, waarin de macht van één ten koste gaat van die van de ander. Nee, de een versterkt juist de ander, en dat weerspiegelt zich in de groei van zowel de nationale als Europese ambtenarij.

Belangenorganisaties delen het positieve oordeel van Van Zwieten over de Europese aanpak. ,,In feite werkt het Europees agentschap soms minder bureaucratisch en sneller dan het College in Nederland'', zegt woordvoerder Rixt Meines van Nefarma, de belangenvereniging van de farmaceutische industrie.

Van Ele Visser van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie mag het geneesmiddelenbeleid best nog Europeser worden. Zo is volgens hem niet goed vol te houden dat een medicijn via Europese registratie in Nederland wel wordt toegelaten, maar niet wordt vergoed. ,,Er zijn inmiddels enkele uitspraken van het Europees Hof in Luxemburg over andere onderwerpen uit de zorg die dat bevestigen'', zegt Visser. Als dat onderscheid op termijn sneuvelt, wordt het volgens Visser automatisch belangrijker de ervaringen van het product in Europees verband te blijven `monitoren'. Het Europese agentschap in Londen heeft precies hiervoor onlangs een afdeling opgericht.

    • Kees Versteegh