Volk van gabbers

Ik zag een mix van sentiment, commercie en populisme waar ik rillingen van kreeg, niet van ontroering, zoals de bedoeling was, maar van angst, anders kan ik het niet benoemen. Ja, dit was angstaanjagend, een massa die zich aanmatigde: wij zijn het volk. En ik hoorde er niet bij. Ik was geen deel van het volk, dus het volk maakte me bang. Niet omdat het me bedreigde, niemand was erop uit me buiten te sluiten. Ik hoorde er niet bij omdat ik de parasitaire emoties niet deelde, die leken me geleend, grote nep, niets, de dood op de middenstip, de dood in de pot.

Geen kwaad woord over André Hazes. Ik heb nooit iets tegen de man gehad. Hij zong liedjes die velen aanspraken. Hij is te jong gestorven. Maar het circus rond zijn dood heeft een betekenis die meer zegt over Nederland dan over de dode zanger. De show rond zijn lijk vond ik weerzinwekkend. Kijk ons eens, wilde die show zeggen, kijk ons eens uniek zijn! Wij zijn de gabbers van André.

Pas op, ik heb niet het minste dédain voor het levenslied en de smartlap, uitingen die in het merg van de cultuur zitten. Ik woon in de Jordaan, waar de liedjes van Johnny Jordaan, Tante Leen, Willy Alberti, Manke Nelis, behoren tot het vaste caférepertoire. Over artiesten als wijlen Johnny Meijer wordt terecht met eerbied gesproken. Het Zwanenkoor, dat het Amsterdamse levenslied ten gehore brengt, geniet er grote populariteit.

Waarom zou ik neerkijken op de `blues' van André Hazes als hij bij zo velen de overbekende gevoelige snaar wist te raken? Nee, ik kan me wel degelijk voorstellen dat zijn fans hem willen herdenken en bij zijn dood ontroering voelen over hun eigen leven. Vertolkte Hazes niet in onbeholpen bewoordingen wat zij aan liefde, verdriet, woede, troost onder woorden wilden brengen? Moet ik de liefhebbers van Hazes soms met een elitair smaakgevoel de les gaan lezen? Daar heb ik helemaal geen zin in. Wat heeft iemand daaraan?

Trouwens, als nu eens een kunstenaar die ik bewonder plotseling overlijdt, heb ik dan soms geen behoefte aan een betekenisvol symbolisch afscheid? Ik ging naar de begrafenis van Lennaert Nijgh. Stel nu eens dat Bob Dylan doodgaat, reken maar dat ik een herdenkingsconcert wil bijwonen. Waar was ik trouwens toen Lucebert stierf?

(Maar daar heb je het al. Waar waren Nederland 1, 2 en 3 toen Lucebert stierf, de grootste dichter van de twintigste eeuw?)

Het was niet uit minachting voor de Hazes-fans dat ik gisteravond, kijkend naar een massale intimiteit in de Amsterdam Arena, niets dan walging voelde. Het was uit afkeer van het in mijn ogen sensatiebeluste parasietendom dat zich het overlijden van de zanger Hazes had toegeëigend. Schaamteloze kitsch overtroefde de emotie.

Wat hier gebeurde was een nieuw sociaal-cultureel fenomeen, dat zich wel al had aangekondigd, maar nu tot een 21ste eeuws ritueel is geworden. We hebben gezien hoe de Britten Diana uitgeleide deden omdat zij de prinses van het volk was `Candle in the wind' van Elton John viel door de muziekbusiness niet aan te slepen. We hebben beleefd dat de tragische dood van Herman Brood tot een publiek festijn werd gemaakt. We hebben die dag in mei 2002 beleefd toen een witte limousine met het lichaam van Pim Fortuyn door Nederland reed langs hagen applaudisserende en wenende mensen.

Elke begrafenis een staatszaak, iedere bekende Nederlander lid van het vorstenhuis, elke geliefde dode een prins Claus, ieder would-be soapie een Mabel, elke plechtigheid een show. Het verwarrende is dat echt en vals, rouw en exhibitionisme, persoonlijk gemis en massahysterie, zo dicht bij elkaar liggen. Hou het maar eens uit elkaar.

,,Geen tijd heeft de doodsgedachte met zoveel nadruk voortdurend aan allen opgedrongen als de vijftiende eeuw'', schreef Huizinga in Herfsttij der Middeleeuwen. Ik denk dat deze tijd het herfsttij overtreft. Het motief van de huiverende aanschouwing der verrotting van wat eenmaal menselijke schoonheid was, mengt zich met het motief van de dodendans. Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, schreef de historicus, scheen de afstand tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk, groter dan voor ons. Maar hij kende de macht van de televisie nog niet!

Gisteravond zagen wij een jongetje, het was het zoontje van Hazes, dat gedwongen werd voor een miljoenenpubliek op de televisie een afscheidswoord voor zijn vader te spreken ik vond het kindermishandeling en we hoorden daarna het ovationele applaus, het scanderende `olé! olé!' alsof er in de Arena een doelpunt was gescoord. Het kind miste zijn vader, de fans juichten. We hoorden gelal om een lijk. Wij zijn het volk: Amsterdam op z'n slechtst, hier beledigde het volkje een volk. Arme Job Cohen, die hier `Amsterdammer onder de Amsterdammers' moest spelen, arme Johan Cruijff, die het verschil tussen wereldfaam en kroegfaam moest overbruggen.

Zo kwamen `volkse' sentimenten, smakeloosheid en nationalisme samen met bewondering en hoogachting voor een artiest. Ontroering en uitgelatenheid mengden zich. Ik zeg niet: het was vals, maar wel: het was ongehoord oppervlakkig, niet gedicteerd door familiebanden en vriendschap, maar door platencontracten en kijkcijfers.

Vorige week bevond ik me in Zuid-Afrika voor een congres. Via e-mail en telefoon blijf je op de hoogte van het nieuws in je eigen land. Er sprong maar één gebeurtenis uit: het overlijden van de volkszanger Hazes. Was er dan verder echt niets gebeurd? Ja, prinsjesdag, miljoenennota, stakingen. Bij terugkeer zag ik de voorpagina van Het Parool met als openingskop: `Staking ondanks afscheid André Hazes'. Op dat moment realiseerde ik me hoe de verhoudingen zoek zijn geraakt. Overigens bleek Het Parool een paar dagen daarvoor de eerste vijf pagina's te hebben ingeruimd voor een zekere Big Willem, zodat ik me afvraag of die krant probeert een lokaal sufferdje of het clubblad van de Hells Angels te worden.

Maar het wordt allemaal overstemd door de clichés van de tribune. Hazes idool, akkoord. Maar held? Levende legende? Zulke hyperbolen doen een écht personage en zijn betekenis geen recht. Zij maken van iedereen een gabber. Goeie reis, ouwe gabber! Dag gabber! Dag gabber! Dag Nederland.

    • Elsbeth Etty