Rauw

Tegen twee uur in de middag kwam ik gisteren bij de Arena aan. Pas een kleine zes uur later zou de herdenkingsbijeenkomst voor André Hazes beginnen, maar er waren rond het stadion al zoveel mensen op de been dat het leek of er een wedstrijd van Ajax op het programma stond.

Voor de ingangen naar het stadion vormden zich de eerste rijen. Sommige mensen waren zo verstandig geweest stoeltjes mee te nemen, één vrouw zat onder een pilaar gezellig een boek te lezen, maar de meesten moesten al die uren blijven staan. Veel mensen droegen een rode roos bij zich, die ze bij de uitgang van het station Duivendrecht voor een euro hadden gekocht bij een handige bloemenman (,,U kunt toch niet zonder een roos naar André gaan?'').

Onder de mannen waren nogal wat Hazes' lookalike's, getooid in leren jacks en met zo'n klein, zwart hoedje op het hoofd. De vrouwen liepen er glanzend en verwachtingsvol bij, alsof ze de dance party van hun leven tegemoet gingen – wat in zekere zin ook zo was. Lachen, huilen, flirten, zwetsen en zuipen, het mocht op deze dag allemaal. ,,André zou het zo gewild hebben.''

Rouw is mooi, maar rauwe rouw is nog mooier.

Bij de ingang Zuid H, tegenover de Heineken Hall, was het rouwfeest al helemaal begonnen. Er stonden zo'n 1.500 mensen op een grote kluit bij elkaar. Ze zongen de hits van Hazes op de klassieke manier: een groen bierblikje in de hand, terwijl de wijsvinger van de andere hand de sleutelwoorden uit de tekst priemend onderstreept. Sommige mensen begonnen al dronken te worden.

Na een poosje werd aan de linkerkant van de groep ruimte vrijgemaakt voor geluidsapparatuur. De muziek van Hazes begon uit de boxen te dreunen en zwaargebouwde mannen met een sterk Amsterdams accent grepen om beurten de microfoon om een lied uit hun borstkas te persen. Ze konden hun ontroering moeilijk de baas blijven. Na afloop van elk lied omhelsden en beklopten ze elkaar als broers die na jaren van verschrikkelijk oorlogsleed eindelijk herenigd worden.

,,Wij zullen altijd voor de kinderen van André blijven zorgen'', riep een zanger.

Toen mocht het jongetje optreden. Hij was een jaar of acht, negen, een echt jongetje nog, bol en met blond stekeltjeshaar. Sterke handen duwden hem naar voren, tot midden in de kring. Hij hield een bonte vlieger vast waarop een portret van Hazes was geschilderd.

Terwijl hij de vlieger in de lucht stak, begon hij met vaste stem te zingen: ,,Mijn zoon was gisteren jarig, hij werd acht jaar oud mijn schat, hij vroeg aan mij een vlieger, en die heeft hij ook gehad.''

Tegenover hem stond een jonge, blonde vrouw die meezingend ook een vlieger omhooghield. De mensen leken, tot in wijde kring eromheen, in trance te raken. Ze huilden en galmden uit volle borst mee: ,,Ik heb hier een brief voor mijn moeder die hoog in de hemel is, deze brief bind ik vast aan mijn vlieger tot zij hem ontvangt, zij die ik mis.''

Dat jongetje en al die tot tranen geroerde mensen om hem heen – wie in reïncarnatie geloofde, kon hier zijn hart ophalen. Het leek me een goed moment om te gaan. Er wachtte ons nog een lange avond.