Oliekoorts

De olie wordt duur betaald. Vijftig dollar voor een vat van 159 liter was een jaar geleden haast ondenkbaar. Gisteren tartte de markt de verwachtingen van degenen die voorspelden dat het niet zover zou komen. En ook vandaag gingen de stijgingen door. In het Verre Oosten moest voor ruwe olie 50,35 dollar per vat worden betaald. Ook hier werd, net als gisteren in Amerika, een psychologisch belangrijke barrière doorbroken. In een naargeestig draaiboek kwam alles samen wat maar een prijsopdrijvend effect kan hebben: onrust in de productielanden Irak, Saoedi-Arabië en Nigeria, orkanen in de olierijke Golf van Mexico, een politiek machtsspel om het Russische olieconcern Yukos, terreur in de Kaukasus en een stijgende vraag vanuit het onverzadigbare China, dat na de Verenigde Staten inmiddels de grootste olie-importeur ter wereld is. Nog is de olieprijs niet zo hoog, inflatie meegerekend, als na de revolutie in Iran in de vroege jaren '80 van de vorige eeuw. Maar de onrust op de oliemarkten is vrijwel net zo groot als destijds. Niemand sluit verdere stijgingen uit. De organisatie van olieproducerende landen, de OPEC, zegt weinig te kunnen doen om de prijsverhogingen te stoppen en hier en daar heerst paniek bij de eindverbruikers, uit vrees voor tekorten.

Een stijgende olieprijs bedreigt de economische groei in de wereld. Niet alleen de autorijder ondervindt de gevolgen aan de pomp; ook luchtvaartondernemingen en andere bedrijven met hoge energielasten worden op extra kosten gejaagd. De wereldeconomie kan wel tegen een stootje, maar het zou niet voor het eerst zijn dat de hoge prijs en de schaarste van ruwe olie een recessie inluiden. Onrust op de oliemarkt heeft doorgaans ook een drukkend effect op de geld- en aandelenmarkten. Natuurlijk zijn er winnaars: de olieproducerende landen, die hun inkomsten zien stijgen; oliemultinationals als Exxon, Shell en British Petroleum waarvoor hetzelfde geldt; landen met gasvoorraden (de prijs van gas is gekoppeld aan die van olie), waaronder Nederland, en de onvermijdelijke speculanten die in de markt actief zijn. In grote lijnen geldt dat rust en een gematigde prijsontwikkeling op de oliemarkt goed zijn voor de wereldeconomie. Nu stijgt de prijs snel.

Economie is geen exacte wetenschap. Als dat ergens zichtbaar is, dan is het wel op de internationale markten waarop dagelijks voor miljarden aan aandelen, valuta's en grondstoffen zoals ruwe olie wordt verhandeld. De prijsontwikkelingen zijn er geen kwestie van optellen en aftrekken. Schattingen tonen aan dat er voorlopig olie genoeg is in de wereld. Objectief gezien zou er dus weinig aan de hand moeten zijn. Maar een aanslag in Irak of een oorlogsdreiging in de oliedelta van Nigeria jaagt de prijs omhoog. Daarbij treft het niet dat verreweg de meeste olie gewonnen wordt in instabiele regio's. Dit alles zadelt eindverbruikers op met de verplichting een energiebeleid te voeren dat hiermee rekening houdt. Amerika kiest over precies vijf weken een nieuwe president. De olieprijs kan medebepalend zijn voor de vraag wie dat wordt. In Den Haag worden deze week groeiscenario's doorgenomen die allang achterhaald zijn als de olie dadelijk zestig dollar per vat kost. Niemand kan zeggen wanneer de oliekoorts eindigt en of ze daarna weer oplaait. De instabiliteit is een gegeven geworden. Deze dreiging is reden genoeg om het debat over en de speurtocht naar alternatieven voor olie te intensiveren.