Natuurlijk hebben waarden een plaats in de politiek (Gerectificeerd)

We moeten de angst overwinnen dat pogingen om een nieuwe gedeelde moraal te formuleren, leiden tot terugkeer naar de traditionele, autoritaire waarden van de jaren vijftig, meent Amitai Etzioni.

Het is een vaak gemaakte vergissing om gemeenschappen lokaal, nationaal of internationaal alleen te zien als een verband waarin mensen affectie en affiniteit delen, waarin ze zich alleen om elkaar bekommeren. Maar gemeenschappen zijn ook een sociaal geheel, met een gedeelde ethische cultuur, een reeks gedeelde sleutelwaarden, een sociale ruimte waarin mensen niet alleen rechten hebben die moeten worden geëerbiedigd, maar ook verantwoordelijkheden tegenover elkaar en tegenover de gemeenschappelijke zaak.

Alleen al het praten over `waarden' roept bezwaren op. Daar wil ik op ingaan. Om te beginnen met te constateren dat de gehechtheid aan waarden, aan normatieve principes die wij moreel gedwongen zijn te volgen, een wezenlijke menselijke eigenschap is. Met de zeldzame uitzondering van psychopaten hebben mensen een sterk besef van wat wel en niet deugt. Zelfs kleine kinderen hebben een besef van wat ze als eerlijk beschouwen. En uit onderzoek blijkt dat verreweg de belangrijkste factor die bepaalt of mensen netjes belasting betalen, niet de hoogte van de straf is die op ontduiking staat, maar of ze al dan niet vinden dat de overheid het geld rechtmatig gebruikt, dat wil zeggen op een ethische manier. En de belangrijkste factor die bepaalt of mensen al dan niet vrijwillig energie besparen is of ze dat hun burgerplicht vinden – opnieuw een waarde dus. Ouders zijn trots als hun kinderen sneuvelen voor hun land – als ze de oorlog als rechtvaardig zien. Wie de mens als homo economicus ziet, is niet alleen onkundig van een enorm hoeveelheid sociaal-wetenschappelijk onderzoek, maar doet ook af aan zijn menselijkheid, de essentie van zijn wezen. Hij wordt gelijk een dier.

Wie zich afvraagt of in de politiek plaats is voor waarden, is naïef. Waarden zijn in de politiek onvermijdelijk. De meeste beleidskwesties op publiek terrein hebben een morele, normatieve inhoud. Voorbeelden zijn de inspanningen die we doen om oorlog te vermijden, ook als we getuige zijn van etnische zuivering. Ook onze bereidheid ons in te zetten voor de mensenrechten en de discussie of deze zich al dan niet uitstrekken tot sociaal-economische rechten, weerspiegelen onze eerbied voor de waarden die in deze juridische en normatieve taal worden verwoord. Hetzelfde geldt voor onze inzet voor het milieu, waarbij we niet allemaal even ver willen gaan, maar het wel eens zijn dat we een verplichting hebben jegens Moeder Aarde.

Tal van andere beleidsbeslissingen die aanvankelijk niet meer dan de uitkomst van praktische overwegingen lijken, worden sterk beïnvloed door waardeoordelen. Zo weerspiegelt het strafrecht de relatieve waarde die we toekennen aan leven-boven-lijf en aan lijf-boven-goed door moord strenger te bestraffen dan het verlies van een arm of been, en dit weer strenger dan het verlies van een auto of zelfs van een gebouw. Hetzelfde geldt wanneer we vinden dat we moeten zorgen voor kinderen, voor zieken en voor armen die het verdienen. Ook in het belastingstelsel blijken onze waarden: moeten we opbrengsten uit kapitaal minder belasten dan die uit arbeid (zoals in de Verenigde Staten)? Moeten we wel of niet belasting heffen op vermogen dat ouders hun kinderen nalaten?

De vraag `maar wiens waarden moeten ons publiek beleid dan bepalen' wordt door velen beschouwd als een soort troefkaart einde discussie. De veronderstelling achter die vraag is dat er geen gedeelde waarden zijn, en dat we deze zaken dus het beste kunnen overlaten aan de privé-sfeer, waarin verschillende mensen met een verschillende etnische en godsdienstige achtergrond elk hun eigen waarden kunnen volgen. Het feit dat onze samenleving steeds diverser is geworden, brengt extreme multiculturalisten tot de stelling dat we uit respect voor andere culturen beter kunnen aanvaarden dat de onze er maar één is uit een hele reeks van morele alternatieven. Daarmee zou elke ethische uitspraak voorwaardelijk, plaatsgebonden en relatief worden. Wat we maximaal mogen hopen te delen – zo wordt ons voorgehouden – zijn een paar gezamenlijke normen van fatsoen en onderlinge verdraagzaamheid, die ons in staat stellen samen te leven ondanks onze diepgaande meningsverschillen over normen en waarden.

Maar de oude scheiding tussen de privé-sfeer (waarin waarden toelaatbaar zouden zijn) en de publieke sfeer (waarin ze zouden moeten worden vermeden) is veel te simplistisch. Als toeschouwers bekommeren we ons verregaand om wat in woningen gebeurt, bijvoorbeeld in het geval van echtelijk geweld of kindermishandeling, en eisen publieke maatregelen om wangedrag te bestrijden. Hetzelfde geldt, of zou moeten gelden, voor alle raciale en etnische gemeenschappen, of ze nu blank, bruin of groen zijn: als het om dergelijke morele thema's gaat, is niemand vrijgesteld van zijn publieke verantwoordingsplicht.

Zo hebben ook alle mensen recht op mensenrechten. Ik vind het raar dat vaak dezelfde mensen die eisen dat de mensen in verre landen als China en Libië en Cuba de mensenrechten respecteren, niet even hard eisen dat diezelfde waarden in de wijken van hun eigen steden in acht worden genomen. Hetzelfde geldt voor onze plicht de democratische rechtsstaat te eerbiedigen (al kunnen we altijd proberen een aantal wetten te veranderen), en geen haat te zaaien tegenover andere minderheden.

Nog weer andere waarden zijn misschien niet universeel maar beperkt tot onze maatschappij; wel mag van nieuwe leden worden verwacht dat ze deze omarmen. Zo hebben alle burgers een gedeelde verplichting om het culturele erfgoed van hun natie te koesteren en te verzorgen, ook als ze dat willen uitbreiden en verrijken.

Deze erkenning – dat er een klein maar belangrijk aantal sleutelwaarden is waarnaar alle leden van een gemeenschap dienen te leven – laat alle ruimte om verschillen op andere terreinen te eerbiedigen: zoals welke God verschillende mensen aanbidden, welk land van herkomst ze in hun hart sluiten, en welke tweede taal zij willen dat hun kinderen leren.

Ik noem deze opvatting, waarin sommige waarden als universeel worden gezien en andere als specifiek voor een bepaalde groep, `eenheid in verscheidenheid'. Deze opvatting mijdt zowel extreem multiculturalisme als ongebreidelde assimilatie. Een goed beeld hiervoor is dat van een mozaïek. De diverse stukjes waaruit dit bestaat, verschillen in kleur en vorm en dragen zo bij tot de schoonheid. Maar het mozaïek heeft ook een gemeenschappelijk kader. Dit kader kan in de loop der jaren worden herzien, maar het houdt op elk moment in de geschiedenis de verschillende stukjes bijeen. We hebben geleerd dat het beeld van de smeltkroes, waarin alle verschillen tot één brij zijn versmolten, veel te eenvormig is. We kunnen ons veroorloven verschillen te eerbiedigen – zolang de verschillende stukjes hecht verbonden zijn.

Het standpunt dat er een beperkt aantal sleutelwaarden is waarnaar alle leden van de gemeenschap geacht worden te leven, impliceert nog geen goedkeuring voor moraalridders die op straat patrouilleren om te zorgen dat vrouwen geen huid of haar laten zien. Het impliceert ook geen vergoelijking van eerwraak waarbij een vader of broer zijn dochter of zuster vermoordt omdat zij voor haar huwelijk seksuele omgang met iemand heeft gehad. Een maatschappij waarin de moraal hoofdzakelijk berust op dwang, blijft nu eenmaal moreel in gebreke. In een `goede' maatschappij doen de meeste mensen meestal vrijwillig wat van hen wordt verwacht. De wet treedt pas in werking als verder alles is mislukt – als bijvoorbeeld de morele bezwaren tegen rijden onder invloed niet volstaan, dan moeten mensen die met drank op rijden van de weg worden gehaald.

Het is dan ook een verkeerde vraag of wij de `islam' (of welke andere godsdienst, moraal of cultuur dan ook) moeten eerbiedigen of afwijzen. De islam is net als alle godsdienstige en seculiere geloofssystemen onderhevig aan verschillende interpretaties. Sommige zijn totalitair en gewelddadig, en die moeten we ogenblikkelijk en zonder pardon afwijzen. Andere zijn heel goed te verenigen met een democratische en vreedzame maatschappij, en die moeten we verwelkomen. De gedachte dat sommige geloofssystemen per definitie verwerpelijk zijn, gaat misschien op voor racisme en fascisme, maar zeker niet voor de grote godsdiensten of seculiere humanisme.

We kunnen deze zaken het beste in historisch perspectief bezien. In de jaren vijftig van de vorige eeuw hadden onze maatschappijen een sterke, vaak godsdienstig geïnspireerde verzameling traditionele waarden. Deze beschouwden vrouwen in het gunstigste geval als tweederangs burgers en waren discriminerend voor minderheden, en vaak tamelijk autoritair.

Door een aantal bevrijdingsbewegingen in de ruimste zin van het woord werd dit oude bestel afgebroken. Hiertoe behoorden de bewegingen voor burgerrechten en voor vrouwenrechten, die voor seksuele bevrijding, en de tegencultuurbewegingen van de hippies (of de provo's), die de waarden van hard werken en spaarzaamheid ter discussie stelden en alle gezagsdragers uitdaagden. Het probleem is niet dat deze bewegingen het oude bestel afbraken, maar dat geen nieuwe gemeenschappelijke moraal werd geformuleerd.

Het morele vacuüm dat volgde, leidde tot de verheerlijking van zelfzuchtig, individualistisch gedrag, in de jaren tachtig nog verder aangewakkerd door het Thatcherisme en het Reaganisme; tot het idee dat niet alleen de economie maar ook de maatschappij zou bloeien als iedereen maar voor zichzelf zorgde. Dat is een onzinnig en asociaal idee.

Ditzelfde vacuüm bedreigt nu de sociale orde en nodigt uit tot godsdienstig fundamentalisme, terwijl steeds meer mensen zich bedreigd voelen door het gebrek aan morele waarden die een leidraad kunnen zijn in hun leven. Het wordt tijd om de angst te overwinnen dat een poging om een nieuwe gedeelde moraal te formuleren, zal leiden tot terugkeer naar de traditionele, autoritaire waarden van de jaren vijftig, of erger nog, naar een soort totalitaire ideologie van voor 1945. Het gevaar schuilt niet in excessief veel moraal, maar in morele anarchie. De tijd is rijp om vast te stellen welke verantwoordelijkheden wij tegenover elkaar hebben, en niet alleen te kijken naar onze rechten; om te erkennen dat krachtige rechten krachtige verantwoordelijkheden veronderstellen.

Gekozen ambtsdragers hebben niet alleen het recht maar ook de plicht om een morele dialoog op gang te brengen die kan leiden tot de vorming van een nieuwe gedeelde moraal. Het is onmogelijk om ons serieus bezig te houden met publieke beleids- of wetgevingskwesties zonder stil te staan bij de morele consequenties daarvan. En als een gemeenschappelijke morele grondslag voor beleid en wetgeving ontbreekt, zullen deze ofwel steunen op de waarden van een regerende minderheid, ofwel in het geheel geen morele rechtvaardiging hebben. De beste manier om wezenlijke veranderingen in beleid en wetgeving op gang te brengen is dan ook om te beginnen met een morele dialoog over de thema's in kwestie en deze dialoog te voeden tot hij rijpt, totdat hij leidt tot een nieuwe, gedeelde moraal.

Dus als een regering overweegt vergaand te bezuinigen op de verzorgingsstaat, van plan is de werkloosheidsuitkeringen te verlagen en de omvang van de ziektekostenverzekering te beperken, of de deuren te openen voor nog veel meer immigranten uit verschillende delen van de wereld, of tot dusver verboden middelen (of `drugs') te legaliseren, dan kan die regering het beste eerst een dialoog met het grote publiek beginnen over de vraag of zulke veranderingen moreel legitiem zijn. En als die legitimiteit niet kan worden vastgesteld, dan kan de regering het beste haar koers nog maar eens overwegen.

Daarbij fungeren gekozen ambtsdragers als morele rolmodellen. Als een gescheiden staatshoofd dat vervreemd is van zijn kinderen, de waarden van het gezin ophemelt, is hij niet erg overtuigend. En als iemand die zelden een kerk van binnen heeft gezien of de beginselen van zijn geloof in acht neemt, niet uitgepraat raakt over de rol van de godsdienst in zijn leven, dan is hij een model van niks. Alle publieke leiders kunnen maar beter doen wat ze zeggen dat wij moeten doen.

Tegelijkertijd moeten we geen perfectie verwachten van onze publieke leiders, van onze instellingen, of eigenlijk van wie dan ook. Het behoort tot de menselijke aard dat ook welopgevoede mensen die leven in een gemeenschap waarin ethisch gedrag wordt gestimuleerd, het verkeerde pad op kunnen gaan. We moeten verwachten dat ze hun tekortkomingen – en die van hun beleid – erkennen en alles niet nog erger maken door hun misstappen te verdoezelen. Wij moeten van hen, en van onszelf, vragen het uiterste te doen om dichter bij onze gedeelde morele idealen te komen.

Sommigen vinden misschien dat dit sentimenten zijn die allang door allerlei godsdiensten worden gepredikt; dat is inderdaad zo, maar daarmee zijn deze opmerkingen nog niet minder geldig. Het feit dat wij elkaars hoeders zijn, dat we het vermogen hebben elkaar aan te sporen om beter te zijn dan we anders zouden zijn, wordt niet minder omdat het zo in de bijbel staat geschreven, ook als sommigen dergelijke waarheden liever ontlenen aan grote sociologen als Émile Durkheim of Ferdinand Tönnies. Wij hebben het vermogen om een moreel goed leven te leiden, maar kunnen dit vermogen alleen ontplooien als we door onze leiders, en vooral ook door elkaar, worden aangemoedigd om te leven volgens hogere morele normen.

Amitai Etzioni is socioloog. Premier Balkenende liet zich door hem inspireren bij zijn oproep tot een debat over normen en waarden. Dit is een enigszins bekorte versie van de rede die de Amerikaan eerder deze maand hield op de conferentie over Europese waarden in Den Haag.

Rectificatie

Etzioni

In het artikel Natuurlijk hebben waarden een plaats in de politiek (in de krant van 28 september, pagina 8) staat een vertaalfout. Etzioni pleit voor diversity within unity. Waar stond `eenheid in verscheidenheid', had moeten staan `verscheidenheid binnen eenheid'.

    • Amitai Etzioni