Het beeld

Wat een raar land is dit toch! Zou ergens anders in de wereld een volkszanger opgebaard kunnen worden op de middenstip van een voetbalstadion, terwijl vijftigduizend mensen Olé! Olé! scanderen? En kopstukken uit de wereld van politiek, media en cultuur in eendrachtige samenwerking met coryfeeën van de populaire muziek een ontroerende hommage aan de overledene weten te brengen? Zou elders de publieke omroep met een voorbereidingstijd van drie dagen dat programma van bijna drie uur in een vlekkeloze rechtstreekse uitzending tot televisiegeschiedenis weten te verheffen?

Wonderland noemde VPRO-programmamaker Robert Oey dat land onlangs in een documentair drieluik over wat Nederland zo bijzonder maakt. Hij verklaarde de door hem met enige reserve geadoreerde eigenschappen van Wonderland uit het egalitarisme en de vrijheidsdrang van de jaren zestig. Het vond zijn wortels bij het Lieverdje, op het popfestival van Kralingen, maar ook Pim Fortuyn én GroenLinks hoorden erbij. Waar het Oey verbaal niet lukte om tot een sluitende definitie of analyse te komen, zagen we gisteren in de Amsterdam Arena, bij het afscheid van André Hazes, een overtuigende demonstratie van het onderliggende gevoel.

Wonderland ligt in de buurt van Droomland. Zo heette het duet dat Paul de Leeuw in 1993 met Hazes zong, die verkleed was als kabouter. De Leeuw herhaalde het nu, met bewonderenswaardige moed, a capella in het stadion.

Stiekem dacht ik ook dat het massale rouwbeklag voor Bekende Nederlanders, dat zijn voorlopige apotheose vond in het spektakel André bedankt!, minder met de kwaliteiten van de betreurde te maken heeft dan met de honger naar een gemeenschappelijke nationale identiteit, naar iets dat de Droomlanders bindt. Eerlijkheid is een belangrijk ingrediënt in die cocktail van sentimentaliteit, voetbalchauvinisme en – wellicht het allerbelangrijkste – het gevoel dat je niet begrepen wordt door de onverschillige regenten, die met de mond het egalitarisme beleden, maar zich zo lang niets van `gewone mensen' aantrokken: door een arbeidersomroep bijvoorbeeld die tot eind jaren zestig Johnny Jordaan niet wilde draaien, omdat het te ordinair was. André had dat ook, dat gevoel dat niemand hem begreep. En kijk, wat een wonder, nu begrijpt iedereen hem en houdt van hem: hij mág bestaan!

Ik ben blij dat de rouwende massa die om zichzelf huilt gemend wordt door verstandige mensen: burgemeester Cohen, Johan Cruijff, Paul de Leeuw, Dré Hazes jr. (10), die zijn overleden vader beloofde dat hij, zijn zusje en zijn moeder sterk zouden zijn. Hij nam de rol van de man over, daarvoor bewonderd door de vrouwen in zijn buurt en dat is in de licht gefeminiseerde Wonderlandcultuur niet de gewoonte.

Je zou die mensen in de Arena ook voor heel andere uitspraken kunnen laten klappen; wie deze emoties weet te bespelen heeft altijd gelijk. André dichtte ooit: `Ik zag je op het perron/ En ik wou dat ik je kon'. Volgens Wonderlandse gewoonte nam hij geen genoegen met de kritiek dat hier taalkundig iets niet klopte.

    • Hans Beerekamp