Hazes is de psalmist van de moderne tijd

Het overweldigende rouwbeklag naar aanleiding van de dood van André Hazes is in feite één grote schreeuw naar Boven, meent Jessica Durlacher. God, waarom hebben wij U in 's hemelsnaam verlaten?

André Hazes is dood en op de televisie zag ik het volk huilen. Natuurlijk moest ik ook huilen, want ik huil altijd als er gehuild wordt, en zeker als iemand dood is. Maar er werd niet alleen gehuild, er werd soms ook heel even gelachen en gezongen, uit volle borst meegezongen – waarna iedereen opnieuw moest huilen. Overal zag je betraande, kwetsbare gezichten, verdrietige gezichten, ernstige gezichten – maar ook zag je geluk in de gezichten, geluk over het terugvinden van zoveel onschuld in het eigen hart, over de waarachtigheid van de eigen emoties.

Zoveel gevoel, zoveel diep verdriet, zoveel gemeenschappelijk gehuil. Ik zag de Arena vol, nee, bómvol hartstochtelijke mensen – allemaal huilend, allemaal meezingend wanneer de muziek daar aanleiding toe gaf, dankbaar voor de tranen, blij met de kans om ze te laten stromen, gelukkig dit te kunnen doen in het gezelschap van zovele anderen. En ik was wel geroerd maar vooral ook licht verbijsterd over de roes van al deze mensen, die ik zo nu en dan deelde, en dan weer even niet, de roes van een gospelkoor, de roes van de overgave aan iets eeuwigs, iets wat groter leek dan de som van al het grote verdriet dat hier bij elkaar gekomen was.

Gelééfd had Hazes, hoor je steeds. Bedoeld wordt: geleefd met drama, theatraal, met veel drank en affaires. Niet zo heel erg verantwoordelijk misschien, maar juist wel: met zoveel fouten en zwaktes dat iedereen hem tegen zichzelf in bescherming had willen nemen. Om die zogenaamde fouten en zwaktes hield men juist van hem. André zong fijne meezingliederen, maar zijn muziek was allang gaan samenvallen met drank en met onmacht en met zijn onburgerlijke onwil om een burgerlijke greep op zijn leven te krijgen. Als je hem hoorde zingen, was het bijna alsof je hem tegelijk hoorde drinken en roken, hoorde je als het ware dat hij zichzelf verwaarloosde en om zichzelf lachte, wat de tranen en de ontroering nog eens deden toenemen.

Dat het nu juist dit leven werd, dit roerend, spelend, theatraal drinkend leven dat een dergelijk magistraal spektakel bij zijn dood veroorzaakte, met een eredienst aan hem opgedragen: is dat verwonderlijk? Zo volmaakt geregisseerd, en zo vol gevoel maak je ze zelden mee.

Alsof erop werd gewacht, dacht ik, terwijl de tranen op mijn gezicht droogden.

Waar komt al die opluchting om zo te kunnen rouwen toch vandaan? Hoe vallen al die hartstocht en diepe snikken te verklaren? Door welke beklemming wil al dit verdriet heen breken? Is dit rouw in zijn naakte vorm, of is het meer? Want wat ik in die Arena zag leek niet meer en niet minder op de ontlading van iets wat collectief was opgekropt, een rouw die naakt was, bijna onverwerkbaar.

Als je niet beter wist leek dit wel een Latijnse natie, een land waar de emotie onmiddellijk onder het oppervlak klaar ligt en de mis en de processies en de kaarsen het gevoel in rechte banen leiden. Maar wij waren zo'n natie niet, hadden wij eeuwen geleden zelf verklaard. Wij waren calvinisten. Wij hielden de grote gevoelens en de grote gebaren eeuwenlang verborgen onder de wetten van zuinigheid en rede. Wij gingen naar kale kerken en luisterden naar preken die eenvoud prezen. Want de God van Calvijn hield alleen van het kleine, het bescheidene, het introverte.

Dat is voorbij.

Volkseducatie en welvaart leidden tot ontkerkelijking, en ontkerkelijking heeft de kerken doen sluiten. De God van Calvijn is vertrokken. De emoties worden nu niet meer in kale kerken bewerkt en ingeperkt door donderpreken over hel en verdoemenis, dood en verderf. En wat blijkt? Nu zijn er stadions waarin over de liefde wordt gezongen, liefde die zich opent als een bloem of door een misverstand wordt vertrapt of miskend of door verlegenheid nooit tot wasdom komt. Calvijns God heeft plaatsgemaakt voor de Liefde van Borsato en Hazes – ofwel: misschien is er helemaal niets waar van die ontkerkelijking maar moest God opnieuw worden uitgevonden in de psalmen van onze tijd: de simpele meezingers zonder een straffende God maar met een Groot Goddelijk Gevoel dat in een drie minuten durend liedje bestaat.

De gevoelsuitbarstingen bij Diana, bij Fortuyn en Hazes zijn onversneden religieus van aard. Het zijn rituele pogingen om de dood ongedaan te maken, en dat is de absolute essentie van elke religie. Nu werd André, verborgen in zijn door rode rozen overdekte kist, zelfs midden tussen de mensen gezet en werd hij toegesproken en toegezongen alsof hij ons kon horen.

Rouwen als godsdienstig ritueel ondanks zijn bijna volledige doofheid (de zanger die niet meer kan horen – een klassiek gegeven). En ook al werd het woord `God' bij mijn weten niet uitgesproken, toch ging André op weg, zeiden de sprekers, maar niet naar Hem. Sommigen maakten alvast een afspraak met André om straks het glas met hem te heffen in die Hemelse Bruine Kroeg die ons aller lotsbestemming is. De God van Calvijn is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de God van Grolsch.

Er bestaan enkele opvallende overeenkomsten tussen Diana, Fortuyn en Hazes. Alledrie zijn ze gevallen in een strijd, om precies te zijn: tegen het Britse koningshuis, de Haagse kliek of tegen zichzelf (Hazes ging in zijn eigen poel van gevoel ten onder). Ze waren ijdel maar transparant in hun ijdelheden. Hun emoties konden immer op hun gezicht worden afgelezen, en ze toonden zonder vrees voor een God passies en zwakheden. Ze hebben geleden.

Hun begrafenissen zijn wijdingen. Deze grote rituelen vertellen ons, met de middelen van 2004, dat het hevige heden alleen – we want it all and we want it now – uiteindelijk toch een illusie is. Tenslotte wacht de dood, en deze valt niet te verdragen zonder iets transcendentaals voor de levenden.

In feite missen we Hem, maar dat weten we niet echt. We zijn verdrietig, nu we Hem niet meer hebben om de dood onschadelijk te maken, en ook daarvan zijn we ons nauwelijks bewust. Maar als iemand dood gaat die net zo leed als wij, die misschien wel als een martelaar voor ons heeft geleden, zoals Hazes en Fortuyn, dan huilen we met ons allen en zijn we blij dat we met zoveel zijn, eindelijk, en vragen we ons af: God, waarom hebben wij U in 's hemelsnaam verlaten?

Jessica Durlacher is schrijfster.

    • Jessica Durlacher