Bij Nauman thuis is het een troep

In de nieuwe aflevering van het kunsttijdschrift Tate etc. vallen vooral de foto's op. De raarste is die van architect Le Corbusier, toch vaak beschouwd als een toonbeeld van strengheid en ascetisme. Nu is hij bijna naakt te zien, met op zijn schoot een grote hond die aan zijn arm knauwt – op de achtergrond ligt een bloemetjestafelkleed. Nog opmerkelijker is de recente foto van Bruce Nauman. Daarvan is het vooral bijzonder dat ie bestaat. Nauman, nog steeds beschouwd als een van de belangrijkste hedendaagse kunstenaars, leeft teruggetrokken op zijn ranch en laat zich zelden zien. Nu liet hij niet alleen Robert Storr toe voor een interview, ook mocht de uiterst hippe fotograaf Juergen Teller naar New Mexico afreizen om Nauman vast te leggen in zijn studio. Die foto is een kleine revelatie; wie, zoals ik, bij Nauman altijd kale, heldere, bijna klinische ruimtes voor zich zag, zal verrast zijn door de enorme puinhoop die zich rondom de kunstenaar aftekent. De foto doet zelfs een beetje denken aan de beroemde beelden van het atelier van Francis Bacon, maar dan op conceptueel niveau: overal liggen boeken (o.a. The

Heart of the Matter van Graham Greene), videobanden, lege flesjes bier, reclamefolders, kabels en zelfs zand – het is een ruig en winderig leven, daar in New Mexico.

Dat Nauman zijn medewerking verleent aan Tate etc. heeft ongetwijfeld alles te maken met het feit dat het blad het `huisorgaan' is van de vier Engelse Tate Gallery's. In de hal van de grootste daarvan (Tate Modern in Londen) zal Nauman vanaf volgende maand een grote geluidssculptuur plaatsen, als opvolger van het zeer succesvolle Weather Project (beter bekend als `de zon') van Olafur Eliasson. In Tate etc. vertelt Nauman uitgebreid over zijn plannen, vooral over de problemen die opdoemen als je zo'n enorme hal met subtiel geluid wilt vullen.

Dat Tate etc. zo'n leuk tijdschrift is, komt niet alleen door de perfecte balans tussen inhoudelijke diepte en vloeiende schrijfstijl, maar ook doordat de Tate rijk en machtig is. Het `huisorgaan' kan de beste auteurs aanzoeken en de grootste kunstenaars verlenen al snel hun medewerking – zo is een van de langste stukken in dit nummer een interview met Rem Koolhaas. Interessant is ook het artikel over vier vrouwelijke kunstenaars die de grenzen van het mannelijke en het vrouwelijke verkennen (onder wie Colier Schorr en Catherine Opie), en het stuk Seven faces of the Art vandal, waarin Brian Dillon zeven soorten kunstvernielers onderscheidt, onder wie `De Iconoclast', `De Mislukte Kunstenaar' en `De Kenner'. Onder de categorie `De Gek' schaart Dillon zelfs de man die in 1974 op Picasso's Guernica afstormde en de woorden `KILL LIES ALL' op het schilderij spoot. Deze `gek', die Tony Shafrazi bleek te heten, groeide sindsdien uit tot een van New York's rijkste en machtigste galeriehouders. Hij verkoopt zelfs Picasso's.

Tate etc. 112 blz. Prijs €10,-

    • Hans den Hartog Jager