West-Duits model heeft geen toekomst in Irak

Niet het succesverhaal van Duitsland na de oorlog, maar de blunders in Vietnam zijn nu het historische referentiepunt voor de oorlog in Irak, vindt Michael Hirsh.

Nu Irak in een soort chaos wegzinkt kun je je amper meer voorstellen hoe groots, hoe ordelijk zelfs, de plannen voor de toekomst van het land ooit zijn geweest. Iets van die plannen heb ik in januari van dit jaar gezien toen ik L. Paul Bremer interviewde in zijn stoffige werkkamer in het hart van Saddam Husseins oude Paleis van de Republiek. Ik vroeg Bremer – toen halverwege zijn termijn als Amerikaanse onderkoning van Irak – of wat hij probeerde zonder precedent was. Misschien wel, zei hij, maar als voorbeeld hield hij de wederopstanding van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog aan.

Daarop pakte Bremer – van huis uit historicus – van zijn bureau een dik boek met voorschriften, waarin de ontwikkeling van alle Iraakse ministeries tot in detail was uitgestippeld. Hij wees op de tabel die hij het meest raadpleegde: ,,MIJLPALEN: Irak en Duitsland''. Daarin was de overdracht van de overheidsinstellingen tijdens de bezetting van Duitsland van 1945 tot 1952 uitgezet naast overeenkomstige plannen voor Irak voor een kortere periode. Op die manier, zei Bremer, kon hij ,,bijhouden waar wij zijn in vergelijking met Duitsland''. De Amerikaanse bezetting volgde dat voorbeeld zo volkomen, dat functionarissen hele passages uit stukken uit de tijd van het Marshall-plan overnamen en toepasten op de toekomst van Irak – waarbij ze een keer, in een stuk over valuta, vergaten Reichsmark te veranderen in dinar.

Het streven van de Amerikaanse regering was – en is, als je alleen op haar woorden afgaat, nog steeds – om in Irak de verbluffende transformatie van Duitsland te evenaren. Haar plan was om een fanatieke vijand te maken tot een trouwe bondgenoot; een gevaar voor de veiligheid van de regio tot een bolwerk van regionale veiligheid. Nu het geweld steeds heviger wordt, leggen regeringsfunctionarissen er graag de nadruk op dat de wedergeboorte van West-Duitsland na de oorlog een zware klus was (al was het Wirtschaftswunder in 1948 al goed op dreef).

Toen ik een medewerker van het Witte Huis naar de moeilijkheden in Irak vroeg, greep ook hij terug op het naoorlogse Duitsland. Hij citeerde Dwight D. Eisenhower, in juni 1945 : ,,Of deze bezetting een succes is, kan pas over een halve eeuw worden beoordeeld.'' Irak is, net als Duitsland, een ,,project van generaties'', zei deze functionaris.

Maar al kijkt de regering verbaal dan een generatie vooruit, haar plannen voor Irak gaan niet verder dan twee jaar. Haar strategie houdt in dat in januari een nieuw nationaal wetgevend lichaam wordt gekozen, een paar maanden later een constitutionele conventie, en eind 2005 een permanente regering. Ook heeft het Pentagon een aflossingsschema voor de Amerikaanse troepen in Irak opgesteld dat loopt tot oktober 2006. Maar een strategie om de troepen terug te trekken heeft het niet vastgesteld, met als argument dat dat de opstandelingen maar zou aanmoedigen.

De Amerikanen moeten ,,de oorverdovende stilte'' (Democratische senator Joe Biden) doorbreken door onplezierige feiten met betrekking tot de afloop in Irak onder ogen te zien. Allereerst is er geen vooruitzicht van een `overwinning' in Irak, tenminste niet op een manier die ook maar enigszins lijkt op de grote woorden van de regering. Het Duitse model is onderdeel geworden van wat senator Chuck Hagel (Nebraska), een Republikeinse criticus van de oorlog, de ,,grandioze illusie'' van vooruitgang in Irak heeft genoemd. En inderdaad, de route die de Amerikaanse regering ter plaatse in Irak nauwkeurig volgt is niet die van de triomf van Amerika in Duitsland na de oorlog, maar die van één van Amerika's grootste blunders op het gebied van het buitenlandse beleid: de vietnamisering. Dat was de term voor het rampzalige beleid van president Richard Nixon om de oorlog over te dragen aan het slecht voorbereide Zuid-Vietnamese leger en een maar amper legitieme regering in Saigon, opdat de troepen van de VS naar huis konden.

Nu heeft de regering-Bush haar hoop gevestigd op irakificering, op het schragen van de niet minder onvoorbereide Iraakse troepen in de hoop dat wij hen tijdig zo ver kunnen krijgen dat zij de nederlaag lang genoeg afwenden om ons de gelegenheid te geven ons terug te trekken.

Deze ingrijpende bijstelling van de ambitieuze Amerikaanse plannen in Irak past in het stramien van steeds bescheidener verwachtingen dat bijna teruggaat tot aan het begin van de `na-oorlogse' opstanden. In de eerste maanden van Bremers ambtstermijn als hoofd van de Voorlopige Coalitieregering, in het voorjaar en de zomer van 2003, hield hij zich koppig aan het Duitse protocol: eerst een nieuwe constitutie om de rechten te waarborgen, dan verkiezingen en dan pas soevereiniteit. Hij en zijn superieuren in Washington negeerden de aanhoudende roep van shi'itische zijde om landelijke verkiezingen; ook luisterden zij nauwelijks naar groot-ayatollah Ali Sistani, de aanzienlijkste shi'itische geestelijke van Irak, en naar de Iraakse Bestuursraad die Bremer zelf had ingesteld. In plaats daarvan hoopte het Pentagon zomaar even een wereldlijke, Amerika welgezinde bondgenoot als Ahmad Chalabi te kunnen installeren, die dan zou instemmen met de Amerikaanse eis van een permanente VS-basis in Irak, precies zoals de Duitsers in Europa hadden gedaan.

Maar de bloedige herfst van 2003 leidde tot een paniekerige ommekeer in Bremers plannen, en tot nieuwe maatstaven voor succes. Het nieuwe model werd, merkwaardig genoeg, Afghanistan. Terwijl medewerkers van het Pentagon voor de oorlog hadden gezegd dat de Irakezen in vergelijking met de Afghanen toch zo hoog ontwikkeld en goed opgeleid waren, zouden de Irakezen nu aan een soort `loya-jirga'-achtige reeks vergaderingen beginnen.

Het Witte Huis liet de impopulaire Chalabi vallen, en Sistani veranderde in Amerikaanse ogen van een bemoeizuchte geestelijke in een op handen gedragen kopstuk dat, zo hoopte men, een gunstige, samenbindende factor zou kunnen worden, zoals president Hamid Karzai in Afghanistan.

Zelfs die bescheidener doelen voor de afronding in Irak zijn thans naar de achtergrond verdwenen, om plaats te maken voor de strategie van de vietnamisering. Er zijn nieuwe maatstaven voor `succes' nodig – en er zullen met betrekking tot de toekomstige opzet van de Iraakse regering nieuwe, moeilijk te verteren compromissen moeten worden gesloten. Er zijn uiteraard tal van verschillen tussen het Vietnam van omstreeks 1970 en het Irak van 2004, maar de overeenkomsten zijn zorgwekkend genoeg. Zowel de vietnamisering als de irakisering werd ingegeven doordat in eigen land de publieke steun voor de oorlog afkalfde en door een aanzwellende stroom Amerikaans bloed. Verontrustender nog is dat de Iraakse opstandelingen het handboek van de Noord-Vietnamese leider Ho Chi Minh lijken te hebben opgeslagen. De strategie van de Iraakse opstandelingen is, net als die van de Vietcong: Amerikanen doden, de Amerikaanse steun aan de oorlog ondermijnen en zo hun terugtrekking bespoedigen. Doordat zij politierekruten aanvallen, en proberen zo'n chaos aan te richten dat de door de VS georganiseerde verkiezingen worden afgelast of uitgesteld, nemen zij precies op de korrel wat de Verenigde Staten tot stand proberen te brengen.

En de opstandelingen lijken hun zin te krijgen. Zij proberen niet de vrede te winnen, maar tellen hun `successen' in autobommen en lijken. Wat resteert van Bremers plannen is een Irak dat aan de rand van een burgeroorlog staat, met de Amerikaanse troepen er middenin. Het oproer lijkt zich langzaam te ontwikkelen tot een gewelddadig getouwtrek om de macht in het Irak van na de bezetting, vooral onder aanvoering van groeperingen die weinig te winnen hebben bij verkiezingen, zoals de soennitische extremisten. Die zullen zich niet gauw laten weerhouden door de `uiterste' inspanningen die interim-premier Ayad Allawi hier afgelopen week heeft geleverd.

Uit Washington klinken berichten over een beoogd offensief van de Amerikaanse strijdkrachten na de eigen presidentsverkiezingen om de soennitische wijkplaatsen te ontruimen en de weg te bereiden voor de verkiezingen van januari. Maar ook daarin weerklinkt de vietnamiseringstrategie: de geheime bombardementen van Nixon op Cambodja en de Vietnamese wijkplaatsen aldaar in maart 1969, twee maanden na zijn verkiezing. De bombardementen van Nixon bleven natuurlijk maar doorgaan, evenals de oorlog, totdat de Amerikanen dat land kwijtraakten. In het geval van Irak hebben de opstandige milities zich zo in hun enclaves verschanst dat een dergelijke strategie riekt naar de verwoesting van steden om ze te redden (wederom Vietnam). Er zullen vrijwel zeker honderden onschuldige doden vallen, gevolgd door een nieuwe roep om een Amerikaanse terugtrekking.

Het is verre van zeker dat het eindspel in Irak helemaal dezelfde loop zal nemen als destijds in Vietnam, tot het rampzalige slot aan toe. Tot dusver valt het aantal Amerikaanse slachtoffers in Irak in het niet bij wat we in Vietnam hebben gezien. De publieke steun voor de oorlog in Irak is weliswaar afgekalfd, maar de tegenstand is nog niet te vergelijken met het anti-oorlogssentiment in de latere stadia van de Vietnam-oorlog. In tegenstelling tot de corrupte regering van Zuid-Vietnam begin jaren zeventig heeft het nieuwe regeringsproces dat Bremer op gang heeft gebracht nog een aanzienlijke legitimiteit, en veel invloedrijke Irakezen, zoals Sistani, zeggen dat ze het willen zien slagen. Intussen kunnen de opstandelingen niet bogen op een Ho Chi Minh – een charismatisch en legitiem alternatief voor de interim-regering in Bagdad.

Maar wie in november ook de Amerikaanse verkiezing wint, er is in Irak geen eindspel te voorzien dat in de komende paar jaar niet nog veel meer Amerikaanse slachtoffers zal eisen. Sommige analisten bepleiten een snelle terugtrekking en overdracht aan Iraakse troepen. De regering-Bush heeft de problemen die inherent zijn aan deze mogelijkheid onhandig verdoezeld door het Iraakse vermogen hiertoe op te blazen. In februari zei minister Donald Rumsfeld van Defensie tijdens een reis naar Bagdad dat ruim 210.000 Irakezen bij de veiligheidstroepen dienden. Maar eerder deze maand zei hij dat het aantal volledig opgeleide en bewapende Iraakse manschappen 95.000 bedroeg. (Zelfs dat is waarschijnlijk nog overdreven.) In werkelijkheid duurt het in het gunstigste geval waarschijnlijk nog twee, drie jaar voordat het leger, de burgerbescherming en de politie in Irak helemaal gereed zijn.

In de tussentijd zou een Amerikaanse terugtrekking vrijwel zeker tot een burgeroorlog leiden, als gevolg waarvan Irak als staat ten onder zou gaan en een toevluchtsoord voor islamitische jihad-strijders zou worden. Dat zou een vernietigende, Vietnam-achtige klap voor het Amerikaanse prestige zijn en het failliet betekenen van Bush' uitdrukkelijke doelstelling om het Midden-Oosten te hervormen. Erger nog, het zou Osama bin Laden zijn zoetste overwinning in de oorlog tegen het terrorisme bezorgen; in zijn opgenomen boodschappen sinds het einde van de jaren negentig heeft hij de Amerikanen met veel genot vergeleken met de sovjets en volgehouden dat de grote mogendheid die Amerika is, net als de sovjets in Afghanistan zou worden verslagen.

Wat betekent `winnen' in Irak? Voor de Amerikaanse troepen betekent het alleen maar overleven. Maar zelfs moerassen zijn beheersbaar. Voor de Amerikaanse regering betekent winnen een afscheid van het Duitse model en de keuze voor iets wat in het beste geval meer weg heeft van Bosnië, waar VS- en NAVO-troepen op het ogenblik dienst doen als regelstaven ter voorkoming van het soort kettingreactie van geweld die tot burgeroorlog leidt. Het betekent dat we de noodzaak moeten erkennen van een grote bezettingsmacht onder Amerikaanse leiding die nog minstens een paar jaar zal kunnen blijven, en dat we nog tientallen miljarden dollars meer zullen moeten uitgeven dan de regering-Bush nu doet. Zo niet, dan zou het Amerikaanse leger in Irak bij de volgende aflossing wel eens kunnen gaan `breken' – zoals een generaal het bezorgd verwoordt – door een uittocht van beroepsofficieren.

Als we de werkelijkheid in Irak onder ogen zien en onze verwachtingen temperen, betekent dat ook dat we elke bron van stabiliteit die we kunnen vinden moeten steunen, zelfs als die anti-Amerikaans is. Dit kon wel eens de enige manier zijn om het minimale doel te waarborgen dat we een Irak achterlaten dat geen bedreiging voor ons of voor zijn buren vormt. Dat betekent in feite twee mogelijke keuzes. De ene is een `beetje Saddam', een sterke man die met niet-democratische middelen de boel in de hand kan houden. De andere is een democratie die grotendeels gestalte wordt gegeven door anti-Amerikaanse mullahs, hopelijk ietwat gematigden zoals Sistani.

Voor de Amerikanen, die de oorlog in Irak ingingen met de hoop op een historische verandering, zijn deze keuzen wel zo ongeveer de enige die nog voorhanden zijn. Zo zal `winnen' in Irak er nog jarenlang uit blijven zien. Het is het beste dat we op dit moment kunnen doen, ook al lijkt het op verliezen.

Michael Hirsh is verbonden aan Newsweek en auteur van `At War With Ourselves; Why America is Squandering Its Chance to Build a Better World'.