Poëzie luisteren in de ambassade

Op het poëziefestival Literair Paspoort, dat dit weekend plaatsvond in Den Haag, droegen dichters uit 24 landen werk voor in residenties en ambassades.

Stichting Dichter aan huis krijgt in de nieuwe cultuurnota voor het eerst subsidie toegekend (40 duizend euro). Sinds 1991 laat ze dichters optreden in Haagse huiskamers. Zulke bijeenkomsten zijn intiem, maar Literair Paspoort – dit jaar voor de derde keer – heeft nog een extra dimensie. De ambassade van het eigen land vormt een zeer toepasselijk decor voor een poëzievoordracht. Alsof je op één middag drie landen bezoekt om er naar een ter plaatse bekende dichter te luisteren.

Iedere buitenlandse dichter was door de organisatie gekoppeld aan een Nederlandse collega. Het valt dichter Ramsey Nasr op dat in de Roemeense residentie, waar hij samen met de Roemeense Magda Cârneci optreedt, precies de sfeer van dat land hangt. ,,Volgens mij hebben ze zelfs de houten lambrisering uit Roemenië over laten komen.'' Het inleidende praatje van de cultureel-attaché doet hem denken aan het oude Roemenië. ,,In zo'n toespraak wordt niet iets verteld, maar iets verkondigd.''

Of er over de combinaties van dichters is nagedacht wordt nergens vermeld, maar het is goed mogelijk: veel meer dan Nasr en Cârneci kunnen dichters niet van elkaar verschillen. Cârneci is serieus, een beetje zweverig. ,,We zijn allemaal cellen van een groot lichaam.'' Ze vindt dat poëzie moet helpen om `bewuster en intensiever' te leven.

Nasr, die binnenkort Tom Lanoye opvolgt als stadsdichter van Antwerpen, vindt dat laatste misschien ook wel, maar hij verpakt het in veel luchtiger materiaal. Een spotzang op George W. Bush is scherp en grappig. Cârneci plaatst daar zware woorden over de politieke situatie in haar land na 1989 tegenover. Maar niet voordat ze het publiek, dat in drie uur tijd zes verschillende dichters over zich heen krijgt, een hart onder de riem heeft gestoken: ,,Het is moeilijk om veel van hetzelfde te eten, zeker als het om poëzie gaat.''

De veiligheidsmaatregelen bij de Britse residentie, een klein halfuur wandelen verwijderd van de Roemeense, zijn scherp. Het statige gebouw, gelegen aan Plein 1813 in Den Haag, is omgeven door hekken en bewakingsgebouwtjes. Wie niet op de lijst staat, wordt onder geen beding toegelaten.

De woning van de ambassadeur blijkt overweldigend chique. Het publiek – steeds een man of vijfendertig, overwegend keurige Haagse dames – is er stil van. En het blijft stil, omdat het optreden van de retorisch begaafde Britse dichter Craig Raine veel indruk maakt. Raine onderbreekt zijn eigen voordracht regelmatig voor een toelichting, zonder dat de spanningsboog daardoor verloren gaat. Hij schudt prachtige metaforen uit zijn mouw alsof het niets is. ,,De wereld is een mooie vrouw / die we beminnen maar niet meer opzoeken, // waarmee we moeten leren talmen / helemaal opnieuw, op waarde schatten // helemaal opnieuw, zo lang er tijd voor is, / er is zoveel tijd verloren.''

Raine treedt op samen met Gerrit Kouwenaar, die naast de Brit introvert afsteekt. Naar Kouwenaar moet het publiek geconcentreerd luisteren, omdat hij met weinig volume spreekt. Hij leest uit ieder decennium van zijn carrière wel iets voor, waaronder het bekende Men moet, uit de bundel De tijd staat open (1996): ,,Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis / nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen // men moet nog boodschappen doen voor het donker / de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder''.