`Keetje' straalt onder rondjes als ballonnen

Haar kleding lijkt op die van Pippi Langkous: een te groot slobbervest, een scheef zittend rokje en afzakkende kousen boven malle laarsjes. Keetje in Keetje van Heilbron is een grappig meisje. Een simpel meisje ook. De dochter van een smid, dus geen partij voor de man van haar dromen. Want die man is niemand minder dan een graaf en hij heet Donder van Straal.

Klinkt dit naar kindertheater? Dat zou best eens kunnen. Auteur Heinrich von Kleist (1777-1811) leverde regisseur Gerardjan Rijnders een stuk vol sprookjesachtige motieven, variërend van onstuimige ridders tot en met reddende engelen en doodenge heksen. Maar achter de bonte avonturen zitten volwassen gedachten.

Gedachten, vooral, over de spanning tussen bewustzijn en onderbewustzijn. Hier de droom, de intuïtie, het voorwetenschappelijke weten; daar de ratio, de sociale consensus, de onderdrukking van dat wat niet met het verstand te verklaren valt. Waarbij Keetje voor het eerste staat en Graaf Donder van Straal voor het tweede, althans, in het begin. Keetje lééft naar haar dromen. Sinds de graaf in haar slaap aan haar is verschenen weet ze zeker dat ze hèm moet hebben. Ze volgt hem door weer en wind, ze slaapt in de stal bij zijn paarden en laat zich niet door zijn boosheid verjagen. En allengs haalt zij de graaf naar haar kant over.

Hij doorloopt een ontwikkeling die Kleist in zijn essay Über das Marionettentheater beschreef en die de schrijver ook voor zichzelf wenste: van schuld via verwarring naar een nieuwe onschuld. Eerst doet de graaf nare dingen. Hij schopt Keetje en slaat haar met zijn zweep. En hij is van plan om het valse loeder Kunigonde te huwen. Dan begint ook de graaf zich zijn dromen te herinneren, maar hij bevecht ze nog, hij drukt zijn ware gevoel nog weg. Totdat hij eindelijk inziet dat de taal der dromen de taal der liefde is.

Om de overgangen van het wereldse leven naar de droomwerkelijkheid aan te geven ontwierp Rijnders met scenograaf Marc Warning een even eenvoudig als geraffineerd decor.

Dunne touwen, als in een marionettentheater, hangen van het plafond naar beneden en die touwen tillen soms plots stukken vloer op, ovalen uitsneden uit het rode pluche. Alsof de realiteit onder de voeten van de personages vandaan wordt getrokken, omhoog wordt getrokken, naar een ander en mooier niveau. Ballon-achtig zweven de rode rondjes dan boven het toneel, betoverend belicht.

Te zoet wordt het blijspel bij Toneelgroep Amsterdam nergens. De rondjes hebben nóg een functie. Ze accentueren de beweging als de actie op z'n felst is. Wild gaan ze ineens tekeer, in de kleur van een uitslaande brand. Wat snijdende popmuziek erbij en weg is de lievigheid. De brand in het binnenste van de graaf is sowieso geen sprookje. Acteur Benjamin de Wit laat goed zien hoe slecht Keetje in het concept van zijn personage past: verwoed tracht Donder van Straal de regels van de adel na te volgen en zijn introductie in het rijk van de slaap gaat met hevige angsten gepaard omdat het hem ook de duistere kanten van de mens openbaart, de slechtheid van Kunigonde (Renée Fokker) bijvoorbeeld.

Zo tekent Rijnders de figuren fijntjes uit, in een heldere mise-en-scène met gemaniëreerdere kostuums naarmate de karakters corrupter zijn. Kleists poëtische taal, vertaald door Janine Brogt, komt voortreffelijk tot zijn recht en de vele changementen verlopen soepel omdat er geen attributen zijn om weg te slepen. Het barok-overdadige en romantisch-gebroken drama krijgt door die strakke vorm bijna iets klassieks. Wat heel iets anders is dan saai. Alleen al Gunilla Verbeke gadeslaan is heerlijk. Haar Keetje straalt en sprankelt.

Voorstelling: Keetje van Heilbron, van Heinrich von Kleist, door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Gerardjan Rijnders. Gezien: 24/9 Stadsschouwburg, Amsterdam. Tournee t/m 6/11. Inl: 020-5318484.

    • Anneriek de Jong