Zeereptiel met zeer lange nek zoog prooi naar binnen

Een reptielachtig dier met een lange nek jaagde 230 miljoen jaar geleden op vis en inktvisachtigen in de ondiepe zeeën rond het Chinese deel van het toenmalige supercontinent Pangea. Dat blijkt uit de vondst van de fossiele resten van een Dinocephalosaurus orientalis in de zuid-Chinese provincie Guizhou. (Science, 24 sept).

Het reptiel (géén dinosaurus) moest zijn 1,7 meter lange nek – iets korter dan die van een giraffe – vrijwel plat op het water leggen om te kunnen ademen. Als Dinocephalosaurus zijn nek verticaal had uitstrekt naar het wateroppervlak zou de waterdruk op zijn longen te groot zijn geweest om te kunnen ademen, schrijven Chun Li van de Chinese Academie voor Wetenschappen en zijn collega's van de Universiteit van Chicago. D. orientalis had verder een groot aantal dunne flexibele botjes (`halsribben') langs het bovenste gedeelte van de ruggengraat (de nek). Chun c.s. opperen dat D. orientalis jaagde door met behulp van deze halsribben de nek plotseling uit te zetten en zo prooidieren naar binnen te zuigen. Deze manier van jagen wordt ook toegepast door sommige schildpadden en vissen al zet bij deze dieren plotseling de mondholte uit.

Dinocephalosaurus is het enige bekende lid van de groep van protorosaurussen dat in het water leefde. Protorosaurussen vormen een groep reptielen met soms zeer lange nekken en verlengde nekwervels, de oudste fossielen dateren van 280 miljoen jaar geleden. Dat Dinocephalosaurus alleen in zee leefde blijkt uit zijn voor- en achterpoten die onderontwikkeld zijn, vergelijkbaar met de ledematen van sommige amfibieën. De onderzoekers veronderstellen dat D. orientalis zijn lange nek kon gebruiken om prooi te benaderen in troebel water zonder dat die werd afgeschrikt doordat ze zijn hele lichaam konden zien.

In Europa en het Midden-Oosten zijn eerder fossielen gevonden van Tanystropheus, een reptiel met een lange nek dat ook behoort tot de protorosaurussen. Volgens de onderzoekers hebben beide reptielen hun lange nek echter onafhankelijk van elkaar ontwikkeld. Dat blijkt uit het feit dat de (12) nekwervels van Tanystropheus elk op zichzelf meer verlengd zijn dan die van Dinocephalosaurus en dat de laatste juist een langere nek kreeg door een toename van het aantal nekwervels (tot 25). In die toename van het aantal nekwervels lijkt de lange nek van D. orientalis op die van de plesiosaurussen. Het verschil tussen beide reptielachtigen, zo laat Li Chun in een toelichting weten, zit hem onder meer in de plattere wervelschijven van plesiosaurus.