Wij mensen bestaan uitsluitend uit neuronen - nou en?

Neurowetenschappers maken ons steeds luider duidelijk dat wij bestaan uit chemische reacties in de hersenen, en dat zoiets als een `ik' dat zelfstandig kiest, voorkeuren heeft en weet wat het wil, een verzinsel is. Waar blijven wij dan? En wat betekent deze bewering voor hoe we ons voelen en gedragen? Of is dit alles slechts een verwarring van talige aard?

Hoewel de wetenschap er niet op uit is het menselijk individu te kleineren, lijkt het toch alsof zij dat bij tijd en wijle onbekommerd en hardvochtig doet. Daarmee bedoel ik niet de zakelijke berekening van onze menselijke nietigheid in dit uitdijend heelal of de beperkte menselijke aanwezigheid in vergelijking met de verpletterende bevolkingsomvang van de bacteriën, want daar valt wel mee te leven. Getalsmatige onbeduidendheid is immers niet onverenigbaar met intrinsieke waardigheid. Wat ik bedoel is dat wij door de wetenschap op de hoogte gebracht worden van het feit dat wij eigenlijk niet bestaan op de wijze waarop wij ons zelf begrijpen als individu en als persoon. En als wij ons dat inzicht eigen hebben gemaakt, helpt dat ons in het geheel niet, want ons inzicht is een artefact van onze kunstmatige betrokkenheid en fictieve interesse.

Als individu zijn wij een verzinsel, het ik is een ding onder de dingen, het bewustzijn bestaat niet of is een machteloos bijproduct van de hersenen. You are nothing but a pack of neurons. Alle psychologie is uiteindelijk kwantummechanica. Al onze activiteit wordt aangedreven door zelfzuchtige genen, die het menselijk individu gebruiken als dienstig vehikel voor hun zakelijke belangen. Op welk niveau je ook een verklaring zoekt voor menselijk gedrag, het lijkt of de wetenschap uiteindelijk aanstuurt op het bewijs van onze non-existentie.

Je zou kunnen zeggen, dat is heel normaal. De geschiedenis van de wetenschap is een aaneenschakeling van ontluisteringen en wij hebben daar mee leren leven. Sommigen scheppen er zelfs een behagen is. Freud dacht zo. Volgens hem heeft de menselijke trots drie zware slagen moeten incasseren. Eerst was er Copernicus, die ons beroofde van onze centrale plaats in het universum, toen was er Darwin die ons onze zelfstandige positie binnen de schepping ontnam en ten slotte was er de psychoanalyse die onze autonome lotsbeschikking als illusie ontmaskerde, daar wij slechts de uitkomst zijn van duistere driften waarover wij nauwelijks enige zeggenschap hebben. Freud had duidelijk een hoge dunk van zichzelf. Hij kon door zichzelf in dit rijtje op te nemen, tevens verklaren waarom de psychoanalyse op zoveel verzet stuitte, want dat was ingegeven door gekwetste menselijke ijdelheid.

Hoe je hier ook over denkt, duidelijk is dat de drie genoemde inzichten een bijstelling van het menselijk zelfbeeld behelzen, niet een eliminatie. Aanvaarding van deze ontmythologiseringen veronderstelt een volwassen incasseringsvermogen en iemand moet dat hebben, een individu met een sterk karakter of een ruimhartige geest. Je bent misschien veel minder zelfstandig dan je denkt, maar je bestaat als persoon nog wel. Je staat daarmee in een lange traditie van zelfkennis, want Goethe zei al: ,,Du glaubst zu schieben und du wirst geschoben.''

De vraag naar het bestaan van het menselijk individu met een autonoom gevoels- en gedachteleven is een oude kwestie die zich in verschillende varianten in de geschiedenis heeft voorgedaan. De kwestie was aanvankelijk vooral inzet van filosofische speculatie en heeft zich nu gaandeweg ontwikkeld tot een wetenschappelijk thema. Er is in al die jaren ook iets onveranderd gebleven: filosofisch of wetenschappelijk kan men nog zo radicaliseren en de mens beschouwen als onbezielde materie of als een machine, in het dagelijks leven blijft alles bij het oude. Dat zou ons te denken kunnen geven. De Engelse filosoof J.L. Austin heeft al eens beschreven hoe op academische bijeenkomsten niemand de wilsvrijheid verdedigt en iedereen kiest voor een vorm van determinisme, maar niet zo gauw is de bijeenkomst gesloten of iedere deelnemer haast zich in het volle besef van zijn wilsvrijheid weer naar huis, onaangedaan door de verstrekkende conclusie. Zo zijn er wel meer voorbeelden. In de hoogtijdagen van de discussie over de status van de computer leek geen argument opgewassen tegen de stelling dat er tussen mens en elektronisch rekentuig geen verschil aan te geven is. De enkeling die zich er tegen verzette werd weggehoond. Maar hoe plausibel het vrijgevige standpunt de computer als minstens gelijkwaardig aan de mens te beschouwen ook was, je merkte er niets van in het dagelijks leven. Niemand bepleitte uitbreiding van het actieve en passieve kiesrecht, zoals Bertrand Russell al eens provocerend opmerkte. Niemand achtte het vanzelfsprekend dat een computer gewoon veroordeeld zou moeten worden, mocht hij zich ooit een discriminerende opmerking permitteren en niemand probeerde in welgezindheid te vermijden dat hij de computer zou kwetsen. Een computer kan niet worden voorgedragen als voorzitter van de Synode der Nederlands Hervormde Kerk of gekozen tot paus. Voor die functies komen alleen andersoortige machines in aanmerking, machines die zich als persoon kunnen laten gelden.

De alledaagse mens laat zich niet zo gemakkelijk naar huis sturen met zijn alledaagse zorgen, gedachten en ambities. Hoe is dat te verenigen met de moderne wetenschap? Francis Crick, die samen met J. Watson de structuur van het DNA ontrafelde, schrijft ,,The astonishing hypothesis is that `You', your joys and your sorrows, your memories and your ambitions, your sense of personal identity and free will, are in fact no more than the behavior of a vast assembly of nerve cells and their associated molecules.'' (,,De verbijsterende hypothese is dat `Jij', je plezier, je zorgen, je gevoel van persoonlijke identiteit en vrije wil, in feite niet meer bent dan het gedrag van een omvangrijke verzameling zenuwcellen en de bijbehorende moleculen.'') Je krijgt als lezer niet meteen de schrik van je leven, maar dat You tussen aanhalingstekens staat is omineus. Het gekke is dat vrijwel ieder weldenkend mens het met Crick eens is. Dat is niet het probleem. Het probleem is waartoe deze instemming ons moreel en intellectueel verplicht.

Moet uit de veronderstelling dat alles gedragen wordt door de activiteit van zenuwcellen volgen dat wij voor een beter begrip van alles wat wij doen en laten, onze geestelijke activiteit moeten zien te reduceren tot neuronaal gedrag? Dat zou zowel conceptueel als praktisch een groot probleem zijn. Zelfs de meest fervente materialist (wat Crick zeker is) weet niet in welke mate hij inzicht in de getallenreeks, of kennis van het burgerlijk wetboek, of een idee over het ideale huwelijk, qua inzicht, kennis en idee over kan laten aan de neurowetenschap. Elke gedachte impliceert een andere gedachte. Betekent dat in neurologische termen dat de activiteit in de hersenen die correspondeert met de ene gedachte noodzakelijkerwijs leidt tot hersenactiviteit elders die correspondeert met de andere gedachte? En als dat niet gebeurt, moeten wij dan concluderen dat die implicatie kennelijk niet geldt, want de hersenenactiviteit geeft ons ongelijk? Praktisch gezien is het waarschijnlijk mogelijk dat bij de gedachte aan Marietje typische neuronale activiteiten geregistreerd kunnen worden, maar kan omgekeerd ook op basis van het gedrag der neuronen worden vastgesteld dat de gedachte aan Marietje weer is opgedoemd.

Het is de vraag of wij bij een radicale reductie van ons geestelijk leven tot hersenwetenschap voldoende begrijpen waar wij mee bezig zijn. Begrijpen wij krachtens de aanschouwelijke steun van een hersenscan beter hoe neuronen ideeën voortbrengen? En waarom zij dat doen? Kan men met hulp van de neurologie een oordeel vellen over de kwaliteit van een idee en is dat wetenschappelijk gezien zelfs de enige mogelijkheid? Stel dat iemand een betoog houdt tegen de stelling van Crick en alle mogelijke bewijzen aanvoert voor een onafhankelijk domein van de geest dat niet gereduceerd kan worden tot het domein van de neuronen. Het uitspreken van dat pleidooi correleert met een bepaalde hersenactiviteit. Wordt dat pleidooi daardoor nu ter plekke weerlegd of juist ondersteund, want de hersenen brengen immers zelf deze gedachte voort? Zo'n dilemma illustreert duidelijk dat kennis over de neuronen die betrokken zijn bij een betoog, niets zeggen over de kwaliteit van een betoog. Wij blijven in ons redeneren slechts gebonden aan de regels van de logica.

Er zijn mensen die beweren, dat de verwarring die zich van ons meester maakt bij de overweging of niet alle psychische verschijnselen beschreven moeten worden in termen van de neurofysiologie, veroorzaakt wordt door de belemmerende invloed van de omgangstaal, die vorm geeft aan een psychologische theorie die niet deugt. Wij beschrijven ons eigen en andermans gedrag in termen van geloof, verlangen, bedoeling, voorkeur, twijfel, idee, suggestie, etc. Dat zijn de elementen van onze alledaagse mensenkennis. Ze vormen samen een theoretisch netwerk met de pretentie van toereikende verklarende kracht. Een theorie die eventueel in aanmerking komt voor reductie tot een fundamenteler niveau, zoals de chemie gereduceerd kan worden tot de natuurkunde. Maar dat is onzin. Het is een illusie dat met die elementen uit de alledaagse mensenkennis op eenduidige wijze neurofysiologische karakteristieken corresponderen. Zoek daar dan ook niet naar, is hun advies. De alledaagse kennis kan niet gereduceerd worden, maar alleen opgeruimd. Die kennis bevat een theorie die niet deugt. Die theorie zal bij toenemend wetenschappelijk inzicht als loos geëlimineerd worden, net zoals de theorie inzake het flogiston geschrapt is. Eens zullen wij de taal der hersenfysiologie spreken. Mijn alledaagse psychologie is zinloze rommel, die nooit in een plan van reductie geïntegreerd kan worden.

Dit standpunt bleef niet onweersproken. Als eerste bezwaar is geopperd, dat wanneer iemand met grote stelligheid en welbespraakt wil beweren dat onze omgangstaal niet deugt en dat hij goede redenen heeft om te verwachten dat zijn vermoeden ooit bewaarheid wordt dat de omgangstaal zal worden geëlimineerd, dat hij dan gebruikmaakt van concepten uit de omgangstaal zoals beweren, verwachten, redenen, vermoeden die volgens hem nergens op slaan. Dat maakt het moeilijk hem te volgen.

Misschien is dit spijkers zoeken op laag water. Een bezwaar dat zwaarder weegt is dat het helemaal niet waar is dat de omgangstaal een psychologische theorie herbergt en dus a fortiori niet een ondeugdelijke. Wanneer iemand zegt ,,Ik beweer dat de kat op de mat zit, maar ik geloof het niet'', dan vinden wij die uitspraak onwelgevormd, want zeggen dat iets het geval is, impliceert dat men de beschrijving voor zijn rekening neemt omdat wat het geval is, naar zijn eigen zeggen het geval is. Je kunt wat je in de ene zin zegt niet in de nevenschikkende zin weer terugnemen. Dat berust op de betekenis van de woorden en de presupposities. De spreker schendt een regel van correct taalgebruik. Het is niet zo dat hij een psychische toestand beschrijft met behulp van theoretische termen als beweren en geloven. Wij zullen bij deze uitspraak dus ook niet denken dat hij een opmerkelijke ontdekking heeft gedaan inzake de psychische toestand waarin hij verkeert. De omgangstaal bevat geen volwaardige psychologische theorie, maar regels van taalgebruik en daar is weinig mis mee. Natuurlijk zullen er wel termen en aanduidingen verdwijnen en nieuwe bij komen. Maar een volledige eliminatie gaat ons begrip te boven. Wij formuleren in de omgangstaal natuurlijk wel psychologische verklaringen, die aan de popularisering van de psychologie ontleend zijn en door de psychologie als achterhaald beschouwd. Dat moet de psychologie duidelijk maken. Daarmee vervalt de omgangstaal niet, maar alleen een verhaaltje dat er aan is toegevoegd. Vroeger waren wij met zijn drieën: lichaam, ziel en geest. De wetenschap stelde dat er overeenkomstig die driedeling ook typische aandoeningen waren. Maar ziel is inmiddels weggevallen. Nu zijn er nog twee en het gaat er om spannen wie de volgende kandidaat is om te vertrekken, maar dat is een programma van de psychologie, niet van de omgangstaal.

Het voorafgaande heeft niet alleen betrekking op de vraag hoe wij onszelf zien en begrijpen. Het heeft ook betrekking op de positie van de psychologie. De neurowetenschappen zijn in principe een enorme verrijking van de psychologie, maar scheppen ook een impasse. Hoe moet het verder? Heeft de psychologie nog wel een toekomst? Niet alleen de hersenfysiologie maakt die vraag onvermijdelijk, ook de biologie. Moet de psychologie verder als evolutionaire psychologie? Dat is meer dan een vraag naar indeling van disciplines. Je kan op goede gronden betogen dat de evolutionaire psychologie geen antwoord kan geven op de vraag door welke motieven mensen zich laten leiden. De evolutionaire psychologie kan uitstekend verklaren welk evolutionair voordeel bepaald gedrag heeft boven een alternatief dat te kostbaar bleek. Bepaald gedrag is de uitkomst van een geslaagde adaptatie en daarom als beste oplossing voor een probleem geselecteerd. Die verklaring legt uit waarom dat gedrag bestaat, maar geeft daarmee geen motief om dat gedrag te vertonen. Voorzover de psychologie zich richt op motieven en redenen van gedrag, kan zij aan de evolutietheorie niet veel steun ontlenen. Ten aanzien van de hersenfysiologie geldt dat de psychologie altijd onmisbaar is, omdat zonder psychologische vraag hersenactiviteit niet psychologisch interpreteerbaar is, maar dat is mogelijkerwijs in toenemende mate een bescheiden rol. Maar denkt u dat de hersenfysiologie een nieuw gevoel kan ontdekken, naast de bestaande gevoelens als woede, verbazing en verdriet? Een nieuw gevoel dat wij maar hebben te accepteren?

De psychologie bestudeert ook de hogere cognitieve functies zoals spreken, verstaan, beslissen en denken. Die vermogens zijn introspectief goeddeels ontoegankelijk. Daarom ontwerpt de psychologie modellen die expliciteren hoe ze zijn opgebouwd en worden aangewend. De hersencartografie kan hiervan mogelijk een correlaat geven, maar ik geloof niet in een complete substitutie omdat het karakter van die vermogens deels regulatief is, en over de kwaliteit van regels spreken de hersenen zich niet uit. En dan is er natuurlijk nog al dat experimenteel onderzoek naar de oorzaken van ons gedrag. Mensen zelf hebben vaak geen inzicht door welke factoren, die zich in de situatie van alledag voordoen, zij zich laten leiden. De psychologie corrigeert daarin het menselijk inzicht. Maar die gecorrigeerde verklaring ligt toch op hetzelfde vlak. Een meer basale verklaring ontleend aan een fundamentelere wetenschap is vaak een kostbare en frustrerende omweg waarop wij geen mens tegenkomen.

Jaap van Heerden is hoogleraar in de psychologie aan de Universiteit van Maastricht. Hij is de auteur van onder meer de columnbundel `Wees blij dat het leven geen zin heeft'.

    • Jaap van Heerden