Waarheen gaat de verzorgingsstaat?

Niet alleen in Nederland, maar ook elders in Europa is de verzorgingsstaat aan herziening toe. De noodzaak tot hervorming is mede te danken aan het daverende succes van de Europese verzorgingsstaat: gezonde burgers die lang leven, niet van familie of nageslacht afhankelijk zijn, langdurige, voorspelbare werkrelaties hebben en in geval van pech, ziekte of ontslag geheel of gedeeltelijk worden vrijgehouden. Alle Europese landen kampen met vergrijzing. Te veel gezonde, krachtige burgers krijgen om allerlei redenen uitkeringen op kosten van degenen die werken. Spanjaarden en Italianen gaan veel te vroeg met pensioen, in Duitsland zit de arbeidsmarkt muurvast waardoor nieuwelingen daar weinig kans hebben. Overal leiden de ingrepen tot conflicten met degenen die baat hebben bij handhaving van de status-quo.

Het zijn vooral oudere werknemers die in Europa hun rechten op het spel zien staan. Zij moeten langer doorwerken in een baan waar minder dan vroeger rekening gehouden zal worden met hun anciënniteit. Daartegenover staan jongeren, minder talrijk dan voorheen, die weten dat ze nooit zoveel voorrechten zullen krijgen als de ouderen. Veel premies die ze betalen, zullen hun niet ten goede komen. Dat geldt zeker voor de premie voor vervroegd pensioen in Nederland (VUT). Het kabinet probeert dan ook terecht de scheve verhouding tussen jong en oud recht te trekken. Het is zonde als capabele werknemers (verpleegkundigen, leraren) ver voor hun 65ste vertrekken om de rest van hun leven van een uitkering te genieten. Bij beroepen zonder grote lichamelijke belasting is er geen reden tot vervroegd pensioen en de premies moeten zo snel mogelijk worden afgebouwd. Het kabinet vindt dat burgers meer in staat moeten zijn hun eigen sociale verzekeringspakket te kiezen. De ziektekostenverzekering wordt een geprivatiseerd concurrerend stelsel. De privatisering en invoering van concurrentie bij de WAO alleen al kost 10 miljard euro extra in premies. Terwijl de meeste 55-plussers niet eens werken en de arbeidsmarkt weinig ingericht is op ouderen, stelt het kabinet al verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd ter discussie.

Dit is een overvol programma voor een kabinet dat geen duidelijk perspectief biedt. Anders gezegd: burgers hebben geen idee waar ze aan toe zijn. Dit effect wordt versterkt doordat de oude polderconsensus is verlaten en de contacten met de vakbeweging zijn verslechterd. Elke dag brengt slecht nieuws uit Den Haag. Mensen potten geld op voor de slechte tijden die het kabinet voorspelt en vragen zich af wat voor sociaal vangnet er uiteindelijk overblijft. Komt het einde van de recessie ooit in zicht? Wat voor toekomst staat dit kabinet voor ogen? Dat er bezuinigd moet worden, is duidelijk maar hoe wordt de samenleving beter van de afschaffing van zekerheden en verworven rechten? Wordt het bestaan alleen maar onzekerder en armoediger of ontstaan er nieuwe kansen? Moet Nederland een voorbeeld nemen aan de sociale ongelijkheid in Groot-Brittannië of de Verenigde Staten of blijft er nog een restje overeind van het egalitaire Rijnlandse overlegmodel? En in hoeverre kan de Nederlandse overheid de regie blijven voeren in een geprivatiseerd sociaal stelsel waarvoor Europese concurrentieregels gelden?

Een vooruitzicht op economische groei is niet genoeg. Een compromis met de regeringspartijen om de hervormingen te verzachten ook niet. Het moet duidelijker worden wat voor rol de overheid zichzelf nog toedicht in een samenleving waar `eigen verantwoordelijkheid' vooropstaat. Hier en daar valt daar in notities over te lezen, maar er is nog weinig samenhang te zien. Politiek is ook de kunst van overtuigen en het werken aan vertrouwen is meer een verantwoordelijkheid van het kabinet dan van de kiezers.