Vergeltungswaffe 3

Zestig jaar geleden werd een Duitse bunker in Noord-Frankrijk vernietigd waar duizenden dwangarbeiders aan het geheime V3-kanon van Hitler werkten. Net op tijd.

IN SEPTEMBER is het zestig jaar geleden dat de Franse Kanaalkust door Canadese troepen werd bevrijd. Bij Mimoyecques, tussen Boulogne en Calais, werden toen de overblijfselen gevonden van de reusachtige ondergrondse vesting voor Hitlers `derde vergeldingswapen'. De V3 was evenals de V1 en de V2 bedoeld voor het bestoken van de Britse hoofdstad Londen. Het was een wanhopige poging om de naderende ondergang van het Derde Rijk te stuiten. Doordat Vergeltungswaffe 3 nooit is gebruikt, is het veel minder bekend dan de V1 en V2, de vliegende bom en de raket die zestig jaar geleden wel in groten getale tegen Londen werden ingezet. Wat was die V3?

Hitlers derde vergeldingswapen was een enorm kanon, ontwikkeld door August Coenders, hoofdingenieur van de Röchlingsche Eisen- und Stahlwerke in Wetzlar, een van de grootste staal- en wapenproducenten in het Derde Rijk. Coenders ontwierp in 1942 een superkanon dat niet, zoals gebruikelijk, draaibaar in de open lucht stond, maar vast in een schacht stak die schuin in de rotsbodem lag. Dit kanon zou projectielen over afstanden tot 160 kilometer kunnen schieten en dus vanaf de noordwestkust van Frankrijk Londen kunnen bereiken: een oude droom van Duitse artilleristen. Deze enorme afstand werd kwam niet alleen binnen bereik door de reusachtige lengte van het kanon, bijna 130 meter, maar ook door zijn unieke afvuursysteem.

Het kanon had op regelmatige afstanden korte zijtakken waarin zich een explosieve lading bevond. Na het afvuren van de hoofdlading werden deze zijladingen na elkaar tot ontploffing gebracht door de hete gassen achter het passerende projectiel. De afnemende druk van de expanderende gassen werd daardoor telkens weer verhoogd, waardoor het projectiel een grote versnelling onderging en een hoge eindsnelheid kreeg: ruim 1.500 meter per seconde. Dat zou moeten resulteren in een schootsafstand van 160 kilometer, een afstand die geen enkel geschut toen kon bereiken.

Coenders had dit `meerkamerkanon' overigens niet zelf bedacht. Het principe ervan was al in 1878 door de Franse ingenieur Louis-Guillaume Perreaux (de uitvinder van de `stoomfiets') op de wereldtentoonstelling van Parijs getoond. En twee wapendeskundigen van het Amerikaanse leger, Lyman en Haskell, zouden al in 1855 een patent op het principe hebben gekregen en in 1860 een – niet werkend – prototype hebben gebouwd. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd het idee in Frankrijk weer opgepakt, waarschijnlijk als antwoord op het Duitse Wilhelmsgeschütz: het 30 meter lange kanon van Krupp waarmee in 1918 vanaf een afstand van 125 kilometer Parijs was beschoten.

Aangezien WO I toen vrijwel voorbij was, raakte het principe van het meerkamerkanon echter weer vergeten. In 1942 werd het volgens sommige bronnen door August Coenders herontdekt tijdens het doorspitten van Franse patenten die in 1940 na de Duitse invasie van Frankrijk waren buitgemaakt. Anderen menen dat het idee van een meerkamerkanon tijdens een bijeenkomst van vertegenwoordigers van de Duitse wapenindustrie opkwam. Hoe het ook zij, Coenders deed in Wetzlar proeven met een miniatuur-meerkamerkanon die veelbelovende resultaten opleverden. Zijn doel werd nu een 127 meter lang kanon met een kaliber van 15 centimeter, waarmee granaten van 3 meter lang en 11 centimeter diameter konden worden afgevuurd. Zij wogen 140 kilogram en leken op een raket. Tijdens hun vijf minuten durende vlucht zouden deze projectielen een hoogte van 85 kilometer bereiken, dus bijna een ruimtevlucht maken. De granaten van het Wilhelmsgeschütz hadden tijdens hun vlucht naar Parijs een hoogte van 42 kilometer bereikt.

Coenders dacht aan de bouw van twee reusachtige onderaardse bunkers nabij Calais. In elke bunker zouden onder een hoek van 51° vijf lanceerschachten worden aangelegd en in elke schacht zouden naast elkaar vijf kanonnen worden gebouwd. Elk kanon bestond uit tientallen aan elkaar geschroefde segmenten die om de 4 meter twee korte zijtakken voor de secundaire ladingen hadden. Op die onderlinge afstanden zouden zich ook de platforms bevinden voor het herladen van de zijkamers. Als elk kanon om de vijf minuten werd afgevuurd, zouden zij gezamenlijk per uur 600 granaten op Londen kunnen laten neerregenen: iedere zes seconden één.

In januari 1943 werd dit plan met steun van Albert Speer, de toen kersverse rijksminister voor bewapening en oorlogsproductie, in Hitlers hoofdkwartier Wolfsschanze bij Görlitz gepresenteerd. Speer overtuigde Hitler ervan dat dit wapen naast de V1 en V2 – die toen in het grootste geheim in Peenemünde werden ontwikkeld – een goed vergeldingswapen zou zijn. Hitler, die al jaren droomde de door hem zo gehate Britse hoofdstad te kunnen verwoesten, was direct geïnteresseerd en gaf in mei opdracht het superkanon te gaan ontwikkelen. Coenders en zijn baas, Hermann Röchling, hadden, inspelend op Hitlers visioen van een brandend Londen, een belangrijke wapenopdracht weten binnen te halen.

Het zeer geheime wapen kreeg de codenaam Hochdruckpumpe (HDP, vanwege de pompwerking in de loop) en had tevens vele bijnamen, zoals Fleissiges Lieschen (vanwege de vele granaten), Tausendfüssler (vanwege de vele zijtakken), Langrohrkanone (vanwege de lengte) en Englandgeschütz (vanwege het doelwit). De eerste ballistische proeven, met een 30 meter lang prototype, werden begin 1943 verricht op een militaire testbasis in Hillersleben, bij Maagdenburg. De bouw van een opstelling voor het testen van een kanon op ware grootte begon midden 1943 bij Misdroy (nu Miedzyzdroje, Polen), niet ver van Peenemünde. Daar werden in januari 1944 de eerste schietproeven gehouden.

Intussen had Hitler ook, in augustus 1943, opdracht gegeven om in een heuvel bij Mimoyecques, een gehucht tussen Calais en Boulogne op acht kilometer van de Franse Kanaalkust, twee ondergrondse bunkers voor de V3 te bouwen. Dit eveneens ultrageheime project, Bauvorhaben 711 of Projekt Wiese geheten, werd geleid door de organisatie Todt. Die was vóór WO II bekend door de bouw van autowegen en de Siegfriedlinie (de verdedigingslinie tussen Aken en de Zwitserse grens) en werd tijdens de oorlog belast met de bouw van de Atlantikwall (langs de kust tussen Noorwegen en Spanje) en de bunkers en lanceerinstallaties van de V1 en V2 in het Pas-de-Calais en de Cotentin. Daar kwamen dus nu nog twee V3-bunkers bij.

In september 1943 werd bij Mimoyecques met de bouw van de eerste onderaardse bunker begonnen. In de loop van nog geen negen maanden zou een uitgestrekt labyrint van tunnels, gallerijen, hallen en liften op drie niveaus ontstaan, met het diepste op ruim 100 meter onder de grond. Die grote diepte was nodig voor de schachten van de superkanonnen. De 630 meter lange, horizontale hoofdtunnel, die een noord- en een zuidingang had, lag 30 meter onder het aardoppervlak. Deze tunnel fungeerde als ondergronds station en was via enkele sporen verbonden met Caffiers, dat aan de lijn Calais-Boulogne lag. De lanceerschachten kregen een ruim vijf meter dik dak van beton, waarin zich sleuven bevonden die de raketgranaten moesten doorlaten. Deze sleuven konden worden afgesloten met zeer dikke stalen luiken.

Voor de bouw van de vesting werden dwangarbeiders, politieke gevangenen en gedeporteerden van allerlei nationaliteiten ingezet. Zij woonden in barakken en fabriekshallen in de omringende plaatsen en werkten onder erbarmelijke omstandigheden. Ze waren twaalf uur per dag in touw en wie zich tegen zijn lot verzette werd publiekelijk opgehangen. Velen lieten het leven en slechts weinigen wisten te ontsnappen. Een stuk beter verging het de mijnwerkers uit het Ruhrgebied en de vakarbeiders van Krupp, Mannesmann en andere Duitse ondernemingen. Schattingen van het totale aantal mensen dat uiteindelijk in deze ondergrondse vesting aan het werk was lopen sterk uiteen: van duizend tot enkele duizenden.

het franse verzet Zo'n groot bouwproject kon natuurlijk niet onopgemerkt blijven. Het Franse verzet waarschuwde de Britse geheime dienst, die in augustus 1943 de eerste luchtopnamen van het gebied liet maken. Die lieten zien dat er bij Mimoyecques inderdaad een grote, ondergrondse bouwactiviteit gaande was. Hoewel men niet wist wat voor wapens de Duitsers hier wilden opstellen, werd vermoed dat het om een van de lange-afstandswapens ging die de vijand ontwikkelde. Op 28 oktober besloot Londen de locatie te bombarderen, waarna op 5 november operatie Crossbow begon. Bijna 250 vliegtuigen wierpen bijna duizend bommen met een totaal gewicht van 425 ton boven de basis uit, maar de schade was minimaal. Ook de bombardementen op 8 en 10 november hadden weinig resultaat. Wel hadden de luchtaanvallen tot gevolg dat de Duitsers de bouw van het geplande westelijke bunkercomplex opgaven.

In Misdroy, aan de Oostzeekust, werd intussen koortsachtig aan de ontwikkeling van het superkanon gewerkt. De aanvankelijk positieve resultaten leidden er toe dat August Coenders op 8 februari 1944 als eerste Duitse ingenieur persoonlijk door Albert Speer de Fritz-Todt-Preis werd omgehangen: de hoogste nazi-onderscheiding voor bijzondere verdiensten op het gebied van de ontwikkeling van munitie. Maar al een maand later kwamen de eerste tegenslagen. De 127 meter lange kanonnen bleken soms te scheuren of open te barsten, terwijl de granaten bij snelheden boven de 1100 meter per seconde onstabiel werden.

Het was duidelijk dat deze problemen een gevolg waren van de slechte planning van het project. En dat euvel vloeide weer voort uit het feit dat Hitler eertijds het project buiten medeweten van de militaire autoriteiten had goedgekeurd. Hij vreesde toen – terecht – dat een wapen voor uitsluitend afschrikking niet door hen zou worden geaccepteerd. Speer meende dat de nu gerezen problemen wel door grotere inspanningen zouden kunnen worden opgelost, maar artilleriedeskundigen deelden dat optimisme niet. Zij zouden het project liever stopzetten. Omdat de ontwikkeling van zowel het kanon als het complex bij Mimoyecques al in volle gang waren, was dit echter niet meer mogelijk. Bovendien waren toen ook al de eerste 20.000 raketgranaten, zogeheten Röchling Speere, geproduceerd.

Het werd een race tegen de klok, want ook aan de overkant van Het Kanaal zat men niet stil. Op 16 maart 1944, nadat Winston Churchill de vesting van Mimoyecques als een grote bedreiging voor Engeland had getypeerd, werden de aanvallen hervat en wel met zwaardere bommenwerpers van het type B-17 (`vliegend fort') en B-24 (`Liberator'). In de tweede helft van juni werd uit luchtopnamen werd afgeleid dat in het dak van de ondergrondse vesting openingen zaten die precies naar Londen waren gericht. Bij één werden sporen gezien van een schacht die waarschijnlijk bedoeld was voor een soort buis of mortier. De dreiging werd concreter.

Op 6 juli zou de vernietigende klap worden uitgedeeld. Op die dag werd de vesting aangevallen door 116 toestellen van het beroemde 617de squadron van de Royal Air Force. Daarbij werden ook zestien zogeheten `Tallboy'-bommen afgeworpen: meer dan zes meter lange bommen die met hun gewicht van 5,4 ton de zwaarste waren die toen bestonden. Drie daarvan doorboorden het betonnen dak van de vesting en één vloog door een lanceerschacht naar beneden om op de tweede verdieping, waar zich 600 tot 700 mensen zouden hebben bevonden, te exploderen. De schade en het aantal slachtoffers waren enorm. Bovendien werd door de schokgolf een grondwaterlaag opengebroken, waardoor het onderste deel van het bunkercomplex onder water kwam te staan. Nog eens vele honderden arbeiders en soldaten die hier een veilig heenkomen hadden gezocht, verdronken.

De geallieerden waren echter nog niet op de hoogte van dit succes en zochten naar nòg zwaardere methoden om de vesting te verwoesten. Op 4 augustus werd een onbemande B-17, volgestouwd met tien ton springstof, vanuit een meevliegend toestel radiografisch naar het bunkercomplex geloodst. Deze vliegende bom explodeerde echter al op 300 meter van de bunker. Op 12 augustus wilde men het nogmaals proberen, deze keer met een B-24 die werd gevlogen door Joseph Patrick Kennedy, de oudere broer van de latere president, en zijn co-piloot Wilford John Willy. Het doel van Operation Aphrodite was de hoofdingang van de vesting. De Liberator explodeerde echter om nooit opgehelderde redenen kort nadat hij in Suffolk was opgestegen – en dus lang voordat de piloot en co-piloot er uit hadden moeten springen. Van hen is nooit een spoor teruggevonden. De details van deze mislukte aanvalsvlucht zouden overigens tot 1966 geheim worden gehouden.

laatste keer Op 27 augustus 1944 werd Mimoyecques voor de laatste keer gebombardeerd, maar toen viel er niet veel meer te verwoesten. Negen dagen later werd het gebied door Canadese troepen bevrijd. De Duitsers bleken de vesting eind augustus te hebben verlaten, met medeneming van alle bouwtekeningen en zoveel mogelijk materieel. In Misdroy werden de proeven met het superkanon toen nog steeds voortgezet. SS Gruppenführer Hans Kammler wilde de bruikbaarheid van het wapen `koste es was es wolle' bewijzen en probeerde het nu gereed te maken voor inzet aan het front. In oktober vonden schietproeven plaats waarbij volgens sommigen afstanden van 150 kilometer zouden zijn bereikt. De V3 haalde zijn doel, maar voor Londen was het nu te laat.

Eind 1944 kreeg Kammler van Hitler toestemming om het meerkamergeschut tijdens het Ardennenoffensief in te zetten tegen het oprukkende Derde Amerikaanse Leger. Twee kortere versies van het kanon, van 50 meter lengte, werden in allerijl opgesteld tegen een heuvel in Lampaden, 13 kilometer ten zuiden van Trier. Tussen 30 december en 22 februari 1945 werden hiermee raketgranaten afgevuurd op Luxemburg, de stad die in september door de Amerikanen was bevrijd. Deze beschietingen, over een afstand van 42 kilometer, eisten tien doden en 35 gewonden. Zij waren de enige slachtoffers van de daadwerkelijke inzet van Hitlers derde vergeldingswapen.

Na de bevrijding van de Franse Kanaalkust werd de onderaardse vesting bij Mimoyecques door verscheidene onderzoeksgroepen bezocht. Pas toen kwamen het doel en de gigantische omvang van het complex aan het licht. De meest bekende onderzoeksgroep was die onder leiding van de Amerikaanse kolonel Oscar J. Sanders, die de opdracht had om alle grote Duitse bunkers en installaties in de regio Pas de Calais – en met name die voor de V-wapens – te inventariseren en de aangebrachte schade in kaart te brengen. Een groot deel van de informatie over de vesting in Mimoyecques is afkomstig van het rapport dat Sanders op 21 februari 1945 aan zijn meerderen overhandigde.

Toen de Duitsers Mimoyecques opgaven, waren bijna drie lanceerschachten gereed, maar waren er nog geen kanonnen opgesteld. In zijn rapport concludeerde Sanders dat `de installaties nog verder afgewerkt of aangepast zouden kunnen worden en gebruikt voor een toekomstig aanval tegen Groot-Brittannië, en dat het dus noodzakelijk was om de basis geheel te vernietigen'. Dit potentiële gevaar werd door Churchill heel serieus genomen. Op 9 en 14 mei 1945 plaatsten Britse Royal Engineers daarom 35 ton dynamiet op strategische locaties binnen het complex en bliezen alles op. De Fransen deden hier in 1947 nog een schep bovenop door de lager gelegen delen af te sluiten met beton. De vele slachtoffers van het luchtbombardement van 6 juli 1944, waarvan de lichamen onmogelijk konden worden geborgen, werden voor eeuwig begraven.

In het begin van de jaren tachtig werd de zuidelijke ingang van de vesting opnieuw vrijgemaakt, waarna een deel van het bovenste niveau werd ingericht als museum. Dit wordt nu gerund door particulieren, maar financieel gesteund door de Franse overheid. Het grootste deel van de hoofdtunnel en een aantal zijgangen zijn toegankelijk. Op verschillende plaatsen vertellen geluidsbandjes, in het Engels, Frans of Nederlands, het verhaal van de Base V3 de Mimoyecques. In een van de zijgangen staat het Internationaal Gedenkteken, opgericht op 7 juli 1985 ter ere van de slachtoffers die op grote diepte liggen en het personeel van de luchtmacht dat tijdens de luchtaanvallen om het leven kwam. Het is bizar dat nu op slechts acht kilometer van dit kerkhof de tunnel begint die naar Engeland voert.

    • George Beekman