Premier Sharons veiligheid doet pijn

Bij mijn eerste bezoek aan Israël, in het voorjaar van 1981, was ik bijna niet meer teruggegaan naar huis. De bekoring greep mij meteen na aankomst op het vliegveld Ben Gurion, toen in de bus naar Jeruzalem een tiental Israëlische soldaten instapte. Als niet-gelovige jood uit New York City werd ik boven verwachting geraakt door die jonge strijders – met gebreide keppeltjes op het hoofd en Galil-geweren over de schouder – die hun leven op het spel hadden gezet om hun kwetsbare land te verdedigen.

Een dag of wat later werd ik zo ontroerd door de aanblik van orthodoxe gelovigen in gebed bij de Klaagmuur dat ik ter plekke inging op een aanbod om me in te schrijven in een yeshiva, een academie voor talmoedonderwijs die ten doel had afvallige Amerikaanse joden weer in de schoot van het geloof te doen terugkeren. Het gevoel dat ik het licht had gezien vervloog weer snel – ik ben maar twee dagen in de yeshiva gebleven –, maar Israël had een blijvende indruk op me gemaakt.

Twintig jaar later kwam ik er eindelijk weer, nu als hoofd van het bureau van Newsweek in Jeruzalem. Het land waarmee ik in aanraking kwam was een volstrekt ander oord geworden. De gesprekken in Camp David waren net mislukt, en bij controleposten overal op de Westoever en in de Gazastrook namen stenengooiende Palestijnen het op tegen angstige Israëlische militairen. Ik kon me toen nog niet voorstellen hoe erg het allemaal zou worden: de nieuwe golven bomaanslagen op bussen en restaurants, de gerichte moordaanslagen op Palestijnen, de invallen van de strijdkrachten. Nu ik vertrek, na bijna vier jaar in het heetst van de intifada, na bijna drieduizend doden en vele mislukte vredesinitiatieven, voel ik een enorme opluchting, en een enorme ontgoocheling.

Zeker, het lijkt erop dat premier Ariel Sharon de beloofde militaire overwinning heeft waargemaakt. De terroristische groep Hamas is ondergronds gedreven, zijn oude leiders zijn uitgeroeid. Toen ik onlangs in Jenin een van de commandanten van de Aqsa-martelaarsbrigades sprak, gaf deze toe dat het Israëlische veiligheidshek het ,,zo goed als onmogelijk'' had gemaakt om nog aanvallen te doen voorbij de groene lijn. De laatste grote zelfmoordaanslag binnen het omheinde Israël was in maart, toen tien mensen om het leven kwamen bij een dubbele bomaanslag in de havenstad Ashdod. In maart 2002 kwamen bij terroristische aanslagen meer dan honderd Israëliërs om het leven (De aanslag op 31 augustus in Beersheva vond plaats in het zuidelijk deel van de Westelijke Jordaanoever waar nog geen omheining is.) Bij een recente peiling verklaarde 65 procent van de Israëliërs zich veilig te voelen, wat veel is, vergeleken bij de afgelopen paar jaar.

Onlangs kwam ik in mijn buurt langs restaurant Hillel, waar in september 2003 bij een zelfmoordaanslag zeven Israëliërs zijn omgekomen. Het zat er stampvol – een welkom blijk van normalisering.

Dus waarom zo somber? Omdat de rust die Sharon tot stand heeft gebracht eenzijdig is afgedwongen met militair geweld, zonder oog voor eerlijke oplossingen. Omdat ik weet dat aan de andere kant van de `muur' – uit het oog, uit het hart – Israëlische militairen geregeld mensen doden. (In de afgelopen vier maanden zijn tweehonderd Palestijnen gedood, velen van hen neergeknald door paniekerige, piepjonge soldaten.) Omdat Sharon zich alleen maar uit Gaza wil terugtrekken om zich te kunnen concentreren op zijn eigenlijke doel: permanente bezetting van het grootste deel van de Westoever. Omdat de regering-Bush, in plaats van Sharon onder druk te zetten om een einde te maken aan de groei van de joodse nederzettingen, deze obstakels voor de vrede haar zegen heeft gegeven.

In de tijd dat ik hier was, heb ik aan beide zijden het optreden grover zien worden. Laatst sprak ik bij de doorgang Erez, de gevoelige toegang tot Gaza, met een Israëlische soldaat. Hij vroeg me of ik de laatste legermop al gehoord had. ,,Hoe noem je één Palestijn in zee? Pollution [vervuiling].'' Ik glimlachte beleefd. Toen kwam de pointe: ,,Hoe noem je twee miljoen Palestijnen in zee? The solution.'' Aan de andere kant van de muur zijn de ideeën niet echt anders; daar hoor ik vaak vuile praatjes over `de joden', waardoor ik me gedwongen voel mijn etnische achtergrond te verdoezelen.

Soms denk ik dat Jeruzalem een heerlijke plaats zou kunnen zijn om te wonen. Wanneer ik tegen zonsondergang langs de Sherover-promenade jog, met uitzicht over de oude stadsmuren, de Koepel van de Rotsmoskee en de woestijn van Judea die oplicht in de schemering, voel ik weer iets van de opwinding die mij twintig jaar geleden naar Israël lokte. Maar als ik wat verder naar het oosten kijk, zie ik de grimmige, grijze barrière over de kale heuvels die Jeruzalem scheiden van de Westoever – de muur van Sharon.

Joshua Hammer was tot voor kort correspondent in Israël voor Newsweek.

©Newsweek

    • Joshua Hammer