Na de ramp een reddingsboei

Door de vuurwerkramp in Enschede moesten veel kinderen verhuizen. Wel velen ze vaak dezelfde school bezoeken. Met het gros van de kinderen gaat het goed, ``maar de schil is dun en het is een lange weg''.

DRIE JAAR na de vuurwerkramp van 13 mei 2000 wapperden nog steeds de gordijnen uit de kapotte ramen van de verwoeste huizen tegenover de Anna van Burenschool aan de rand van de wijk Roombeek in Enschede. ``Op onze school zitten kinderen die in die huizen gewoond hadden'', vertelt directeur Linda Tukkers. `Kijk juf,' zeiden ze dan, `ik had de deur van mijn kamer open laten staan'. Het was enorm confronterend. De kinderen zagen hoe het behang van de muren rotte.''

Inmiddels zijn de huizen tegenover de school gesloopt en is er nieuwbouw voor in de plaats gekomen. Daarmee is voor de kinderen in de wijk een deel van het onveilige gevoel verdwenen. Want dat is de kern waar het in het levensverhaal van de kinderen uit de wijk Roombeek om draait: veiligheid. De vuurwerkramp sloeg in één klap de bodem onder hun bestaan weg en daarmee alle gevoel van veiligheid. ``Als er net na de ramp een vliegtuig laag overvloog kropen de kinderen onder de banken'', vertelt directeur Jacky Willems van basisschool de Toermalijn over de eerste tijd na de ramp.

Je veilig voelen is essentieel voor ieder kind om goed te kunnen functioneren. Daarom klampten de kinderen die, op welke manier dan ook, betrokken waren geweest bij de vuurwerkramp zich direct na de ramp aan school vast als aan een reddingsboei: thuis was er chaos en paniek, maar op school was alles nog `normaal'.

Hoe sterk die behoefte van de kinderen aan het normale schoolleven was blijkt uit de verhalen van schooldirecteuren en leerlingbegeleiders op de vier basisscholen in of vlak bij het rampgebied: de Anna van Burenschool, de Noordlinde, de Toermalijn en de Bonifatius. ``De kinderen wilden wel praten over de ramp, maar niet te lang'', vertelt Ton Scheltens, adjunctdirecteur van de Noordlinde. ``Dan vroegen ze `gaan we nu weer rekenen?'' Jacky Willems (Toermalijn) herkent dat. ``Wij hebben een leerling die zijn ouders en broer verloren heeft. Wij boden hem aan onder begeleiding van een creatief therapeute te tekenen, maar dat wilde hij niet. Rekenen wilde hij. Nou, dan kan dat.''

Voor de bijna 600 kinderen die in de wijk Roombeek woonden en naar school gingen, waren de gevolgen van de vuurwerkramp het meest tastbaar. Van hen kon het merendeel (80%) wel gewoon op zijn of haar oude basisschool blijven, dankzij de gemeente die het vervoer betaalde van de kinderen die (tijdelijk) elders in de stad moesten gaan wonen. Dat gaf niet alleen de kinderen een beetje zekerheid terug, maar maakte het voor de betrokken scholen ook makkelijker om de leerlingen adequaat hulp te bieden.

Overigens kampten niet alleen de kinderen uit deze meest getroffen binnenring met problemen als gevolg van de ramp. Van de in totaal ruim 1.350 kinderen op de zes basisscholen (waarvan één met twee locaties) die in en bij het rampgebied stonden, had tussen de 20% en de 40% van de leerlingen aantoonbaar problemen door alles wat er gebeurd was (20% van de kinderen uit verder gelegen wijken, 40% van de kinderen uit het direct getroffen gebied).

Uit verslagen blijkt dat de kinderen op allerlei manier op de ramp reageerden: slaapproblemen, angst voor alles wat aan de ramp deed herinneren, last van flashbacks, verhoogde prikkelbaarheid, concentratieproblemen, agressief gedrag. Dat heeft natuurlijk ook gevolgen voor de sfeer op school. ``In het begin was het echt chaos in de klas'', vertelt Ton Scheltens, adjunct-directeur van de Noordlinde, de basisschool die door de ramp zwaar beschadigd was. ``Hun school was kapot, hun huis, ineens moesten ze vervoerd worden naar een andere locatie. Dat had nogal wat effecten. Meer agressie, meer rumoer. Later, na de eerste schok, was het vooral nog dwarrelig in de hoofden.''

In het schooljaar 2002-2003 hadden nog 240 van de 1.350 kinderen in de basisschoolleeftijd aantoonbaar problemen met de ramp. Een jaar later was dat aantal gedaald tot 148. Bij deze kinderen is het veelal niet alleen de ramp die hen parten speelt, maar speelt er veel meer: een optelsom van problemen (In jargon: gestapelde problematiek) in en om het gezin.

Voor de betrokken scholen is de weg ná de ramp een zoektocht geweest. `'Je bent niet opgeleid tot traumadeskundige, je moet het allemaal zelf uitzoeken'', vertelt Margo Hartgerink, intern begeleidster van de Anna van Burenschool. ``We hebben bijvoorbeeld contact gezocht met scholen in de Bijlmer. Zij gaven ons het advies om het niet alleen in praten te zoeken, maar kinderen diverse verwerkingsmogelijkheden te bieden. En dan gedurende lange tijd, want, zo hoorden wij van alle kanten: `dit gaat heel lang duren'. Jammer is wel dat de Bijlmerscholen weinig gedocumenteerd hebben van hun aanpak. Dus dat hebben wij deze keer wel gedaan.''

Na de ramp kwam er een nauwe samenwerking tot stand tussen de gemeente Enschede (Projectbureau Wederopbouw), de scholen en de instellingen voor jeugdzorg en maatschappelijk werk. Cees Purmer, coördinator Projectbureau Wederopbouw: ``Zo hebben we een vangnet rondom de getroffen scholen gelegd om snel en goed de zorg te verlenen die de kinderen nodig hadden. Uitgangspunt daarbij was dat we luisterden naar wat de scholen zelf wilden.'' Met extra financiële middelen en begeleiding door deskundigen (onder andere het Instituut Psychotrauma) konden de scholen kiezen voor een aanpak die bij hun visie paste: voor de kinderen extra sportactiviteiten, muziek en creatieve therapie. Voor de leerkrachten psychologische ondersteuning en scholing om signalen te herkennen bij de kinderen in hun groep.

In de centrale hal van de Anna van Burenschool hangt `het hemelkastje'. Zes kinderen, die direct bij de ramp betrokken waren, hebben op witte tegeltjes het verhaal van hun verlies geschilderd. Die zijn samengevoegd in het hemelkastje, dat verder versierd is met schelpen en veertjes en waxinelichtjes. Het kastje is normaliter gesloten. Maar bij speciale gelegenheden, zoals kerst of de jaarlijkse herdenking van de ramp, gaan de deurtjes open. Dan gaan de waxinelichtjes aan: een klein altaartje ter herdenking.

Het hemelkastje – de naam is verzonnen door één van de kinderen – is één van de initiatieven van creatief therapeute Dorien Boekhout. Direct na de ramp liet zij kinderen die dat wilden hun ervaringen en gevoelens uiten in schilderijen. Zoals Kevin, die zichzelf met veel benen tekende om hard weg te kunnen lopen, en Kespa die de afgerukte ledematen schilderde waar ze nachtmerries over had. Ook was Boekhout de initiatiefnemer tot het Kindermonument. Daarvoor maakte zij met een paar kinderen van elk van de zeven basischolen in de directe omgeving van het rampgebied een vogel. Deze zeven beelden, op zuilen, staan rondom een ster van steen en vormen samen het kindermonument `een vogel kiest zijn eigen vlucht'.

Om de effecten te kunnen meten van alle inspanningen van de scholen heeft het Projectbureau Wederopbouw jaarlijks onderzoek laten doen naar de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen. Op cognitief gebied meldden alle scholen direct na de ramp een (lichte) terugval in de prestaties van de leerlingen. Dat is in lijn met de verwachtingen, immers na traumatische gebeurtenissen treden concentratiestoornissen en slaapproblemen op, die hun effect hebben op het functioneren van kinderen overdag. Psychologe Martine Delfos, die de scholen momenteel in de traumaverwerking ondersteunt, zegt hierover: ``In het begin van een trauma vergt het `niet aan de ramp denken' veel concentratie en dat gaat ten koste van onderwerpen die veel concentratie vergen, met name rekenen.''

Die terugval in prestaties was tijdelijk. Inmiddels presteren de leerlingen beter dan voorheen. Behalve op één vlak: begrijpend lezen. Dat is verklaarbaar, aldus Delfos. ``Dat de rekenproblemen zijn afgenomen, wijst er op dat de hulp in de eerste fasen goed heeft gewerkt. Nu gaat de traumaverwerking een fase dieper. In Enschede heeft de ramp in de gewone dagelijkse sfeer plaatsgevonden. Ik vermoed dat dit de reden is dat bij de kinderen tekstverklaring een probleem is, omdat de schoolteksten vaak over gewone, dagelijkse dingen gaan en gemakkelijk traumagerelateerde elementen oproepen. Dat staat de psyche niet toe: die sluit zich af.''

Op sociaal-emotioneel vlak melden alle scholen een verbetering: de sfeer op school en in de groepen is goed. Opvallend is echter wel dat de leerlingen zelf (in het sociometrisch onderzoek dat de mening van de leerlingen peilt) aangeven nog weinig zelfvertrouwen te hebben en een laag zelfbeeld hebben. Er is een toename van het aantal kinderen met een negatief sociometrisch statustype, ofwel: een toename van het aantal `verstotenen'. Kinderen die al buiten de groep stonden, zijn nog verder buiten de groep komen te staan. Volgens Delfos is dat een natuurlijke ontwikkeling. ``Kinderen zoeken hun veiligheid in de sociale omgeving, de pikorde. Vinden de andere kinderen mij wel leuk? Als de situatie onveilig is dan wordt de uitval in de pikorde ernstiger. De jongens zullen opvallen door pesten en gepest worden. Bij meisjes zullen faalangst en aanpassingsproblemen toenemen.''

Voor de scholen betekenen deze signalen dat de vuurwerkramp nog geen gesloten boek is. Ad Kappen, orthopedagoog en coördinator van het algemeen samenwerkingsverband van openbare en protestante scholen: ``We gaan ons nu dus richten op het vergroten van het gevoel van veiligheid door alerter te zijn op zelfbeeld en zelfvertrouwen van de leerlingen en daar aan te werken.''

De scholen zijn nu met hun vijfde schooljaar na de ramp begonnen. Het nieuwe schooljaar brengt weer nieuwe onzekerheden met zich mee, omdat nu de eerste nieuwbouwhuizen zijn opgeleverd en gezinnen terugkeren naar hun oude wijk. Met mogelijk weer gevolgen voor de pikorde in de klas en het gevoel van veiligheid dat daarmee te maken heeft. Toch zeggen de schoolleiders dat het inmiddels met het gros van de kinderen goed gaat. Maar tegelijk benadrukken ze dat de relatieve rust in de hoofden van de kinderen maar relatief is. Jacky Willems: ``Wat ik merk is dat de kinderen – en ook het team – nog steeds sneller van slag zijn dan eerst. De schil is dun. Het is een lange weg.''

    • Jacqueline Kuijpers