Het is het laagste en het ergste. Kinderen die van je stelen

`Dit krantenknipsel heb ik voor je gekopieerd. Het is van vorig jaar december.

Een 28-jarige Leeuwarder is donderdagavond door de spoorwegpolitie voor de veertigste keer dit jaar aangehouden op het station in Leeuwarden. De man staat te boek als `notoire overlastveroorzaker' en heeft al geruime tijd een stationsverbod. Dat heeft hij inmiddels ook al twintig keer overtreden. Sinds 31 januari 2003 heeft de Leeuwarder diverse malen een stationsverbod opgelegd gekregen naar aanleiding van vernielingen, het veroorzaken van overlast, dronkenschap.

Dit gaat over mijn zoon. Hij is nu negenentwintig. Zijn zus is tweeëndertig. Zij heeft een gezin met drie kinderen. Ikzelf ben negentien jaar geleden gescheiden. Eerst kwamen de kinderen alleen in het weekeinde bij mij, later kwamen ze helemaal bij me wonen. Mijn zoon was toen een jaar of vijftien.

Op het moment dat hij hier kwam wonen, rookte hij al stickies. Dat wist ik natuurlijk niet. Totdat een moeder uit het dorp het tegen me zei. Haar zoon deed het ook.

Maar bij mijn zoon ging het van kwaad tot erger. Zijn schoolprestaties gingen achteruit. Hij zat op de mavo. Daar is hij nog voor geslaagd. Toen wilde hij kok worden. Ik was allang blij: hij wilde iets. Hij had nooit echt ergens interesse in. Nu heeft hij het besef niet meer, maar vroeger was het ook nooit van: dit of dat wil ik. Hij wilde niks.

Dus hij ging naar de koksschool. In Leeuwarden. 's Morgens weg, 's middags weer thuis. Maar het ging steeds slechter met hem. Hij ging ook harddrugs gebruiken. En drinken. Nadat hij stage had gelopen, wilde hij niet terug naar school. Maar op zijn werk kreeg hij al snel ontslag. Toen werd hij uitzendkracht. Maar daar wilden ze hem op een gegeven moment ook niet meer. Het leidde allemaal tot niks.

Dus het werd: thuis op de bank hangen. Ik praatte op hem in. Ik preekte en preekte. En ruzies natuurlijk. Zachte hand, harde hand, ik heb alles geprobeerd. Maar er zat geen beweging in hem. Helemaal niet. Hij hangt op de bank en denkt: ik wacht wel tot hij uitgeraasd is. Laat maar lullen.

Ik vroeg me natuurlijk af of het door mij kwam. Kwam het doordat wij gescheiden waren? Je doorloopt het hele scala aan mogelijkheden. Heb ik dit verkeerd gedaan? Heb ik dat verkeerd gedaan? Je weet het niet. Je loopt er de hele dag over te piekeren. Dat is de eerste periode. Daarna komen er andere periodes: een boze periode, een chagrijnige periode, een milde periode: ach, laat ook maar, een negeer-periode: ik doe net of hij er niet is. Alle gemoedstoestanden heb je.

Hij gaf mij niet de schuld. Hij was alleen maar bezig met smoesjes verzinnen. Overal had hij een antwoord op. Altijd maar draaien. Als ik zei: om twaalf uur doe ik de deur dicht, dan kwam hij toch pas om twee of drie uur 's nachts thuis. Of hij was één keer om twaalf uur thuis en de volgende dag weer niet. En dan smoesjes van: ik was bij een vriend en ik ben op de bank in slaap gevallen. Altijd smoesjes.

In die tijd is hij twee keer naar een afkickcentrum geweest. Daar had ik hem zo'n beetje in gepraat. Ik weet nog dat ik hem er op een maandagmorgen naar toe heb gereden. Op dinsdag hoorde ik de deur, een tas die met een klap op de grond werd gesmeten: daar was hij weer.

Ik was verbijsterd. Ik had toen nog het idee: een paar weken en hij is weer beter. Ik was hartstikke blij dat ik hem er naartoe kon brengen. Ik heb die dinsdagavond het afkickcentrum gebeld, wat er nou gebeurd was. Ik kreeg toen iemand aan de telefoon die over hem praatte alsof hij een junk was. Dat was nieuw voor mij. Voor mij was hij iemand met een probleem dat op te lossen viel.

Die man van het afkickcentrum zei: zolang hij bij u is, zal hij nooit afkicken, want hij heeft een dak boven zijn hoofd, hij heeft z'n natje en z'n droogje en hij heeft z'n uitkering. Hij heeft geen reden om te stoppen. Maar ik vond het niet erg dat hij thuis was. Mijn dochter was getrouwd. Ik was toch maar alleen. En ik dacht dat ik er wel tegen kon.

Een jaar later is hij weer naar dat afkickcentrum gegaan. Die keer is hij er ongeveer een week gebleven. Toen is hij weer vertrokken.

Op een gegeven moment gebeurde wat ik nooit had verwacht: hij stal geld van me. Ik dacht op een dag: laat ik eens tellen wat ik in de beurs heb. De volgende keer dat ik weer telde ontbrak er wat. Niet veel, een tientje of zo. Maar het was wel gelijk raak, de eerste keer dat ik telde. Dus het speelde al een tijd. Het is het laagste en het ergste: kinderen die van je stelen. Toen ik hem ermee confonteerde, was het tranen met tuiten. Hij zou het nooit meer doen.

Een paar weken later was het weer mis: weer geld weg. Dat heeft zo een paar maanden geduurd. Toen heb ik gezegd: nu is het serieus afkicken of de deur uit. Dan ga ik wel weg, zei hij. We hebben toen een flatje geregeld, dat we samen hebben ingericht. In Drachten.

Ik dacht: nu moet hij kiezen. Nu moet hij voor zichzelf zorgen. Hij moet ervoor zorgen dat hij elke maand uitkomt met zijn geld.

Maar hij had al snel te weinig. Dan kwam hij hier eten. Je wilt je kind toch ook niet laten verhongeren. Maar hij betaalde ook geen rekeningen. De telefoon werd afgesloten. Gas, water, licht: betaalde hij ook niet. Ik dacht: dan kan ik dat wel gaan betalen, maar dan red ik hem weer. Dus dat heb ik een paar maanden lang niet gedaan. Maar dan zit je hier en je weet dat die jongen daar in het donker zit. Dus ik zei: die stroomrekening betaal ik anders wel. Uiteindelijk is hij wegens huurachterstand uit dat flatje gezet.

Het rare is: het is geen vervelende jongen of zo. En als hij nou niet deugde, maar dat is het ook niet. Vroeger was hij leuk, een vlotte, sociale jongen. Altijd vriendjes. Zachtaardig en bij de tijd.

In de loop van de tijd ben ik erachter gekomen dat zijn verslaving een ziekte is. Ik neem het hem nu ook niet meer kwalijk: hij kan er niks aan doen. Ik preek ook niet meer. Maar het heeft heel lang geduurd voordat ik het zo kon zien. Ik heb heel lang gedacht: er komt een moment dat hij begrijpt dat het zo niet langer kan.

Ik praatte er in het begin ook niet over met andere mensen. Je denkt: hij heeft een probeem, maar we lossen het op en dan kan hij het gewone leven weer in. Niemand die hem nawijst.

In die tijd zag ik een keer op tv een praatprogramma met een moeder en haar zoon, een ex-verslaafde die nu clean was. Die jongen had zeven keer in de gevangenis gezeten en bij de zevende keer had zijn moeder gezegd: zoek het maar uit, ik trek mijn handen van je af. Daar was die jongen zo van geschrokken dat hij was afgekickt.

Dus toen het was misgegaan met die flat en hij vroeg of hij weer bij mij kon komen wonen, zei ik: nee, je zoekt het maar uit. Ik dacht: ik moet voet bij stuk houden. Hier wonen heeft niet gewerkt, zelfstandig wonen heeft niet gewerkt, misschien dat hem nu de ogen open gaan. En die gaan hem niet open als hij weer hier komt wonen.

Ik heb altijd verkondigd: je zet je eigen kind de deur niet uit. Dat doe je niet. Niks kan zo erg zijn dat je je kind de deur uitzet. En toch heb ik het gedaan. Omdat ik dacht dat het goed voor hem was.

Toen is hij weggegaan. Naar Leeuwarden. Daar is hij in een opvanghuis terechtgekomen waar je een kamertje kan huren en wat begeleiding krijgt. Ik was er niet blij mee. Nu zou ik er blij mee zijn. Nu hij dakloos is. Maar toen hoopte ik nog dat het op een dag beter zou gaan met hem.

Hij kwam hier nog steeds vaak. Een keer vierden we sinterklaasavond met het hele gezin, dus hij, ik, mijn dochter, haar man en de kinderen. Ik had hem de zaterdag ervoor vijfentwintig gulden gegeven voor een cadeautje. Ik dacht: die vijfentwintig gulden zal hij toch wel bewaren, zo dom zal hij toch niet zijn. Hij had mij getrokken. Ik kreeg een pakje chocoladesigaretten.

Diezelfde zaterdagavond heeft hij hier in de zaak de personeelspot opengebroken. Dat is een pot waar het personeel elke maand wat geld in stopt en dan gaan we daar een keer per jaar met z'n allen van uit. Hij had hem met een schroevendraaier geopend. Terwijl hij wist dat het later ontdekt zou worden. En dan gewoon, doodleuk, weer bij dat sinterklaasfeestje gaan zitten. Je snapt het niet. Het is niet te snappen. Het is een ziekte.

Na twee jaar is hij ook uit dat opvanghuis gezet. Hij dronk, hij werkte niet, hij paste zich niet aan. Toen was hij dus echt dakloos. Dat is nu een jaar of vijf, zes geleden.

Het was de laatste keer dat ik dacht: nu zullen de schellen hem wel van de ogen vallen. Maar nee. Helemaal niet. Hij kwam hier nog één of twee keer in de week, maar er was niet veel meer aan: iemand die straalbezopen op een stoel zit. Ik heb toen gezegd: je kunt hier komen zo vaak je wilt, maar alleen als je nuchter bent. Open ik later een flesje bier, de beugel zit er keurig op, maar in het flesje zit water. De eerste keer deed hij alleen de dop er weer op. Toen pakte ik een flesje en zei: hé, wat voelt dat licht. Hij weet natuurlijk dat ik erachter kom. Maar het interesseert hem niet.

Nu zit hij voor een paar maanden in de gevangenis: overtredingen van het stationsverbod, zwartrijden, wildplassen, dat soort dingen. Ik begrijp het wel: hij geeft overlast. Maar ik vind het geen goede aanpak. Het heeft geen zin. Niks helpt bij die jongens.

De mensen zeggen: verslaving is een keuze. Maar hij heeft geen keuze. Hij heeft een ziekte. Hij had een prima leven kunnen leiden, mogelijkheden zat. Het is allemaal weg. En hij zit er niet mee. Hij voegt zich in zijn lot.

Dus er is maar één oplossing: oppakken en verplicht behandelen. Want hij trekt zich nergens wat van aan. Hij ziet zijn eigen ziektebeeld niet. Volgens hem mankeert hem niks.

Maar het mag niet van de wet. Verplichte opname en behandeling van verslaafden is verboden. Dat komt doordat de politiek heeft geluisterd naar de psychiatrie. En in de psychiatrie geloven ze in de vrije wil van deze mensen. Maar het is onzin: het is niet zijn vrije wil dat hij verslaafd is. Ik vind het zo vreemd: euthanasie wordt gedaan door de huisarts, je gezicht laat je liften door een specialist, maar voor verslaafden hebben we niks. Nog geen leerstoel. Niks.

Dus heb ik gedacht: ik moet het zelf gaan doen. Ik moet met een paar andere ouders een oude boerderij kopen en verzorging inhuren: een zorgboerderij. Voor dat idee heb ik aandacht proberen te krijgen. Ik heb alle fracties in de politiek aangeschreven. Huisartsen. Media. Een psychiater. Dat is nu twee jaar geleden.

Niemand heeft gereageerd. Politiek, media, artsen: niemand. Die psychiater heb ik gebeld. Ik vroeg wat hij ervan vond een paar verslaafden verplicht op te nemen en te behandelen in zo'n boerderij. Hij zei: er zijn wel dertigduizend zwervende verslaafden in dit land, er is geen redden aan. Ik zou denken: dertigduizend, dan kun je beter vandaag beginnen dan morgen.

Ik stelde me voor dat de politiek er misschien een experiment van zou willen maken. Want anders moet je ook nog bewakers inhuren. Je moet natuurlijk niet hebben dat die jongens de politie bellen en dat die ze dan bij wijze van spreken komt bevrijden: illegale vrijheidsberoving. Want dat is het bij de huidige stand van de wet.

In mijn eigen leven is de glans er nu wel af. De laatste paar jaar word ik wat afstandelijker. Maar je denkt er de hele dag aan. Je denkt in kringetjes. Wat kan ik nog doen? Heb ik niks over het hoofd gezien? Je belt nog eens met het centrum voor alcohol en drugs. Maar er is niks dat zij zeggen dat ik niet ook al bedacht of gedaan heb.

Als het zo doorgaat als nu, loopt het zeker weten verkeerd af. Hij valt dronken in een gracht of hij breekt zijn nek als hij van een stoep valt. Of hij krijgt een kwaal. Of een overdosis. Er is op deze manier maar één uitkomst mogelijk: een vroegtijdig einde.

    • Gretha Pama