Geluksgetallen

Doven hebben anderhalf keer zo veel inkomen als horenden nodig om even gelukkig te worden. Dit blijkt uit onderzoek naar voorwaarden voor geluk door twee economen. Toch blijft geluk subjectief. Wonen de gelukkigste mensen in Nigeria?

WE MOGEN DAN misschien niet precies weten wat geluk is, meten kunnen we het wel. De Amerikaanse presidentskandidaat John Kerry gebruikt bijvoorbeeld een `Middle-Class Misery Index' om aan te tonen dat de Amerikaanse middenklasse onder president Bush steeds minder gelukkig is geworden. En Kerry staat niet alleen met zijn index. Anderhalf jaar geleden constateerde een adviescommissie die was ingesteld door premier Tony Blair dat de Britten – net als veel andere westerlingen – tevreden zijn met hun leven, maar dat die tevredenheid in de afgelopen dertig jaar ondanks een gestaag groeiend nationaal inkomen niet of nauwelijks is toegenomen.

Dit politieke gebruik van het fenomeen geluk zal altijd wel wantrouwen oproepen, maar geluk heeft ook de wetenschappelijke belangstelling van sociologen, psychologen èn een groeiend aantal economen. Zo hebben Bernard van Praag, hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam, en de bij hem gepromoveerde Ada Ferrer-i-Carbonell dit jaar een boek gepubliceerd onder de titel `Happiness Quantified'.

Mode

``Het begrip happiness is sinds een jaar of tien in de mode'', zegt Van Praag in zijn huis in Bloemendaal tijdens een gezamenlijk interview met hem en Ferrer. ``Die term hebben wij dan ook maar geaccepteerd, ook al klinkt hij voor economen natuurlijk ketters. Geluk is een woord dat emotioneel geladen is. Economen spreken vaak liever over nut of tevredenheid. Maar die woorden hebben óók een subjectieve lading. Toch tracht je het begrip te definiëren waarbij je aangeeft hoe je het wilt meten. Wat dat betreft verschilt onze aanpak niet van die van een natuurkundige die de temperatuur meet. Wij meten geluk door het antwoord te registreren dat respondenten in een steekproef geven op zogeheten `satisfactie-vragen'. Bijvoorbeeld: hoe tevreden bent u met het leven? Vervolgens hoop je dat het antwoord op die vragen correleert met de intuïtieve opvatting die mensen hebben van het begrip geluk.''

`Happiness Quantified' staat vol vergelijkingen. Zoals een fysicus weet dat de afgelegde afstand gelijk is aan de gemiddelde snelheid maal de reistijd, zo vinden Van Praag en Ferrer dat het geluk (het nut of de satisfactie) van een individu bij benadering een gewogen optelsom is van zijn werksituatie, gezondheid, financiële situatie, sociale situatie en vrije tijd, plus een restfactor; statistische ruis. Elk van deze factoren hangt op zijn beurt weer samen met een reeks onderliggende variabelen. Zo hebben Van Praag en Ferrer de tevredenheid van mensen met hun werk opgesplitst in verklarende factoren als promotiemogelijkheden, salaris, het contact met de chef en het aantal werkuren. ``Het is een soort Droste-blikjes-effect'', zegt Van Praag. ``De kwaliteit van het leven valt uiteen in een aantal componenten die op zichzelf ook weer uiteenvallen in componenten.''

In dit geluksonderzoek gebruikt Van Praag het begrip nut of geluk eigenlijk zoals de filosoof Jeremy Bentham het aan het begin van de negentiende eeuw definieerde. Deze filosoof zag nut, `utility', als een optelsom van plezier (positief nut) en pijn (negatief nut). Het streven van rationele individuen en de maatschappij als geheel is naar optimalisatie van die optelsom: zoveel mogelijk plezier tegen zo weinig mogelijk pijn.

rapportcijfers

Om de optelsom te specificeren en aan de verschillende variabelen een gewicht toe te kennen gebruikten de auteurs cijfermateriaal uit Britse en Duitse enquêtes waarin elk jaar weer duizenden mensen wordt gevraagd hun leven en tal van deelaspecten daarvan met rapportcijfers te waarderen. Dat levert soms verrassende inzichten op. Zo komt Van Praag tot de conclusie dat voor het geluk van Britse gehuwde werknemers de tevredenheid op het werk, de kwaliteit van het sociale leven en de gezondheid belangrijke determinanten zijn. Het huwelijk en de financiële situatie zijn van minder belang.

De optelsom van geluk die Ferrer en Van Praag presenteren lijkt misschien een open deur. Natuurlijk speelt gezondheid een belangrijke rol in iemands levensgeluk. Interessanter is dat zij de getallen en gewichten ook kwantitatief hebben ingevuld. Hier zien de auteurs praktische toepassingsmogelijkheden. Van Praag: ``Op grond van onze statistieken kan bijvoorbeeld worden uitgerekend dat doven ongeveer anderhalf maal zoveel inkomen nodig hebben als horenden om even tevreden te zijn. Op basis van dergelijke berekeningen valt bijvoorbeeld de economische waarde in te schatten van een gehoorapparaat.'' Volgens een vergelijkbare methode is het mogelijk de financiële compensatie te berekenen die omwonenden van Schiphol zouden moeten ontvangen wegens geluidsoverlast. In opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat kwantificeerde Van Praag samen met toenmalig promovenda Barbara Baarsma de tevredenheid van bewoners die zijn blootgesteld aan geluidhinder. De nadelige gevolgen van de toename van de geluidoverlast in een niet geïsoleerde woning met 50 procent becijferden Baarsma en Van Praag op 2 procent van iemands jaarinkomen. ``Het Centraal Plan Bureau heeft onze berekeningen toegepast in kosten-baten analyses voor de uitbreiding van de luchthaven'', zegt Van Praag.

Dat je geluk of nut kunt meten is voor een econoom een gewaagde opvatting. Generaties moderne economen hebben geleerd dat je door het keuzegedrag van consumenten te observeren wel kunt vaststellen aan welke pakketten van goederen of diensten hij het meeste `nut' ontleent: in de winkel zal de consument immers de voorkeur geven aan goederen met een hoger nut. Hoevéél nut of geluk een aankoop of andere keuze oplevert is een andere kwestie. Jeremy Bentham en zijn volgelingen verwachtten in de 19de eeuw nog dat nut ooit exact gemeten zou kunnen worden, maar de Italiaanse econoom Vilfredo Pareto hielp hen begin twintigste eeuw uit de droom. Van hem komt het inzicht dat het feit dat een consument de voorkeur geeft aan appelcake boven pruimentaart niets zegt over het verschil in nut of geluk dat de consumptie van een van beide gebakjes oplevert. Is de appelcake 8 waard en de pruimentaart 6? Of levert de pruimentaart een nut van 3 en de appelcake een nut van 5? Pareto zag dat dergelijke vragen op basis van observaties van keuzegedrag niet te beantwoorden zijn. Economen konden zich er daarom maar beter verre van houden. Generaties economen waren het met hem eens. Ze bouwden hun modellen op andere uitgangspunten. Bijvoorbeeld: als iemand een euro betaalt voor een ijsje, dan zal hij daaraan ook wel een nut van een euro ontlenen. Een werkbaar uitgangspunt, zij het enigszins onbevredigend, want natuurlijk is niet iedereen in de rij bij de ijscokar even `gelukkig' met zijn ijsje. Er zijn ook klanten die er graag het dubbele voor over hadden gehad.

Een eeuw na Pareto gelooft ook Van Praag dat het nut dat consumenten ontlenen aan wat ze doen niet te kwantificeren is door te kijken naar hun keuzegedrag. Maar dat hoeft nog niet te betekenen dat we het gebak, het ijsje en vele andere dingen in het leven gevoelsmatig niet met een rapportcijfer kunnen waarderen. Van Praag: ``Vragen als `Hoe tevreden ben je met...' zijn te beantwoorden. Dat is gewoon een feit. Steekproeven waarin deze vragen gesteld worden hebben een grote respons en mensen blijken in staat een antwoord te geven op een cijferschaal. Die cijferschaal is bovendien gecorreleerd met een gevoel dat mensen hebben. Voor praktische toepassingen spreken we dan maar van satisfactie, individueel welzijn of geluk.''

Benzineprijzen

Toch betekent geluk, satisfactie of welzijn voor iedereen iets anders. John Kerry's constatering dat de Amerikaanse middenklasse ongelukkiger is geworden is onder meer bekritiseerd, omdat de economen uit het team van de presidentskandidaat zijn `misère-index' opbouwden uit zeven vrij willekeurige variabelen (waaronder het gemiddeld inkomen, de benzineprijzen, het aantal persoonlijke faillissementen en de kosten van ziektekostenverzekering). Die variabelen hadden vast door zeven andere vervangen kunnen worden.

Onderzoek naar geluk, satisfactie of welzijn genereert niet zelden resultaten die moeilijk met elkaar te rijmen zijn. De Verenigde Naties plaatsen westerse landen als Noorwegen (nummer één in 2004) , Zweden en Canada steevast hoog op hun welzijnsindex voor 174 landen. Het World Values Survey daarentegen, opgesteld door een groep van sociale wetenschappers onder leiding van Ronald Inglehart, verraste eerder dit jaar met de conclusie dat de gelukkigste mensen ter wereld wonen in het corrupte en straatarme Nigeria. De vergelijking van geluk tussen landen lijkt sowieso een hachelijke zaak. Bedoelen een Engelsman en een Amerikaan hetzelfde als ze zeggen dat ze happy zijn? Wat is het verschil tussen glücklich en heureux?

Van Praag waarschuwt dat studies naar geluk niet allemaal over één kam geschoren mogen worden: ``Voor internationale onderzoeken komt vaak een commissie van hotemetoten bijeen die bepaalt wat je moet optellen en aftrekken om tot een juiste maatstaf te komen. Dat is een wat paternalistische aanpak, waarbij eigenlijk niet al te veel rekening wordt gehouden met de opinies van de mensen zelf. In de databestanden die wij gebruiken gaat het er nu juist om dat mensen zélf beoordelen hoe hun situatie is.'' Ferrer: ``Wij proberen niet om landen onderling te vergelijken. Het gaat ons juist om de trendmatigheden die we telkens opnieuw terugvinden in verschillende databestanden, of het nu gaat om Duitsers, Engelsen of Nederlanders.''

Blijft staan dat geluk voor iedereen iets anders is. Hoe kan een wetenschapper dan beweren dat hij geluk meet? Van Praag: ``Wij beweren niet dat er zoiets bestaat als een objectief geluksbegrip. Iemand kan een situatie met een zeven waarderen terwijl een ander daarvoor een negen zou geven. En zelfs al zouden wij die situatie allebei met een zeven waarderen dan kan ik nog niet bewijzen dat wij hetzelfde geluksgevoel daarbij hebben. Daar komt bij dat je stemming wisselt van dag tot dag en het kan zijn dat mensen soms moeite hebben om hun eigen geluk te waarderen. Waar het ons om gaat is dat we statistisch significante verbanden vinden. Dat de antwoorden op de vragen die wij stellen iets zeggen over de gemiddelde tevredenheid van mensen. De ruis halen we eruit met econometrische technieken.''

causaliteit

Een probleem met grootschalige studies zoals die van Van Praag en Ferrer is de causaliteit. Zijn de geïnterviewden gelukkig, omdat ze gezond zijn? Of gezond, omdat ze gelukkig zijn? Van Praag: ``De correlaties die wij vinden zijn op zichzelf ook al interessant, maar hier ligt inderdaad een groot probleem. Gisteren hoorde ik op de radio over een mevrouw die mensen die dagboeken schreef vergeleek met mensen die geen dagboeken schreven. Haar conclusie was dat mensen die een dagboek schreven significant ongelukkiger zijn dan mensen die geen dagboek schreven. Ook daar is de vraag: hoe zit het nu met de causaliteit: kiest iemand die ongelukkig is voor het schrijven van een dagboek, of is er toch iets anders aan de hand? Uiteindelijk kom je daar nooit helemaal uit, tenzij je longitudinale studies gebruikt, waarin je kunt constateren dat laten we zeggen mensen die vorig jaar een beroerte hebben gekregen dit jaar ongelukkiger zijn geworden. Dergelijk onderzoek is vaak lastig uit te voeren. Er zijn geen databestanden die op dat causaliteitsonderzoek zijn toegesneden. Je zou individuele experimenten willen waarbij je iemand pijn doet en dan bij wijze van spreke een geluksmeter aanbrengen.''

Daniël Kahneman, een psycholoog die in 1999 de Nobelprijs voor de economie ontving, heeft geprobeerd geluk individueel te meten. Kahneman deed experimenten waarin hij aantoont dat het werkelijk nut dat een individu verkrijgt van een bepaalde handeling iets anders is dan het verwachte nut waarop hij zijn beslissingen baseert. Zo liet hij mensen twee handen onderdompelen in ijskoud water: de rechterhand mocht er naar een minuut weer uit, de linker moest nog 30 seconden langer onder water blijven, maar daar stond tegenover dat het water nu met ruim één graad Celsius werd opgewarmd tot een iets draaglijker temperatuur. Hoewel de totale pijn (het negatief nut in termen van economen) voor de linkerhand groter was dan voor de rechter gaf bijna 70 procent van de proefpersonen de voorkeur aan de verlengde ervaring.

Van Praag ziet een belangrijke parallel met zijn eigen onderzoek. Met Arie Kapteyn publiceerde hij begin jaren zeventig artikelen waarin ook werd geconcludeerd dat de waardering die mensen toekennen aan een bepaalde inkomensstijging of -daling niet hetzelfde is als het nut dat zij daarvan van te voren verwachten. Van Praag: ``We vroegen mensen welk inkomen ze als erg goed, goed of juist als heel slecht zouden waarderen. Dergelijke vragen zijn vergelijkbaar met de vragen naar tevredenheid die we nu voor ons boek hebben gebruikt. We vonden dat mensen die 2.000 gulden verdienden 3.000 gulden per maand een mooi inkomen vonden, maar dat mensen die 3.000 gulden verdienden dat eigenlijk niet meer dan `voldoende' vonden. Preference drift noemden we dat verschijnsel en op basis van onze resultaten konden we een aardige curve tekenen waarin we aangaven welk nut of tevredenheid mensen ondervinden van een bepaald inkomen.''

``Tegen onze ideeën bestond aversie onder mainstream economen. Dergelijke kritiek wordt niet altijd op schrift gesteld, die circuleert in de wandelgangen. Je kon het wel zien in verwijzingen in wetenschappelijke artikelen. Dat ging zo in de trant van: Van Praag en Kapteyn doen ook wat aan deze problematiek, maar dat is eigenlijk zo idiosyncratisch dat zullen we maar buiten beschouwing laten. Op zichzelf is dat natuurlijk niet verbazend. Denk aan de theorieën van Thomas Kuhn: de wetenschap beweegt zich vaak lange tijd langs gebaande paden. Gevestigde wetenschappers zien hun theorieën graag bevestigd en daarom is het altijd veel gemakkelijker om te publiceren als je je in de mainstream beweegt.''

Onwelkome boodschap In het afgelopen decennium is er volgens Van Praag veel veranderd: ``Ik wil niet zeggen dat de mainstream economie onze ideeën al heeft geaccepteerd, maar er zijn wel in tal van landen serieuze economen die zich ermee bezighouden.'' Een econoom die concludeert dat mensen makkelijk wennen aan een hoog inkomen begeeft zich al gauw op het terrein van de politieke afwegingen. De consequentie is immers dat mensen met een hoog inkomen minder te lijden hebben van een verlaging van dat inkomen. Uitgaand van deze veronderstelling verhoogt een progressieve inkomensbelasting het welzijn van een maatschappij als geheel. Evengoed valt vanuit deze optiek een verhoging te rechtvaardigen van hulp aan arme landen: die ontlenen een hoger nut aan onze financiële middelen dan wijzelf. Ook de boodschap van Van Praag en Ferrer dat inkomen slechts een van de vele factoren is die geluk bepalen zal sommige economen onwelkom zijn.

Moeten we dus concluderen dat hogere belastingen voor de rijken, meer hulp aan arme landen en meer vrije tijd zouden leiden tot gelukkiger wereldburgers? Die conclusies gaan de auteurs een forse stap te ver. Van Praag redeneert plotseling als een traditionele econoom: ``Voor je dergelijke uitspraken kunt doen moet je kijken naar de dynamische effecten'', zegt hij. ``Als we nu minder hard werken prijzen we ons misschien uit de markt en dat kan betekenen dat over tien jaar de werkgelegenheid enorm is afgekalfd. Dat is iets wat je met momentane metingen van geluk niet kunt vaststellen. Wij willen niet het oude testament opzij zetten. Dit boek is bedoeld als een verrijking van de bestaande economische wetenschap.''

`Happiness Quantified' A Satisfaction Calculus Approach. Oxford University Press.

    • Michiel van Nieuwstadt